BACHELOR 3
, Arresten strafprocesrecht Tussentoets
Onderwijsweek 3
Muilkorf arrest Opsporing valt onder het bereik van Art. 1 Sv en moet dus plaatsvinden op
Formeel wettelijke de wijze bij de wet voorzien. In dit arrest is gesteld dat er geen
grondslag strafvordering bemoeienis van de lagere wetgever gewenst is. Er was in de
politieverordening van de politie opgenomen dat bepaalde honden een
muilkorf moesten dragen. Indien dit niet het geval was moest zowel de
hond als het baasje mee naar het politiebureau om de hond op te meten.
De rechtbank stelde hier dat dit niet mocht omdat ze man zo zou
meewerken aan zijn eigen veroordeling en dit is in strijd met het wetboek.
Regels over strafvordering mogen alleen in een formele wet worden
gegeven en dus niet in een plaatselijke verordening.
Stormsteeg De ‘verdachte’ liep met zijn handen in zijn jaszakken in de stormsteeg. Dit
is een plek die bekend stond om het feit dat er veel opiumdelicten werden
Art. 27 Sv en Art. 9 Sr gepleegd. Toen de man vervolgens na het zien van agenten weg rende
Redelijk vermoeden van werd hij door de politie aangehouden en gefouilleerd. Hierbij werd er
schuld/Ernstige drugs gevonden. De vraag was hier of er ernstige bezwaren bestonden
bezwaren tegen verdachte en was dus sprake van een rechtmatige fouillering?
Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De schrikreactie
van de man, naast de algemene bekendheid omtrent de opiumdelicten
die op die locatie werden gepleegd zorgden ervoor dat er voldoende
omstandigheden waren om te spreken van ernstige bezwaren jegens de
man, waardoor hij als verdachte in de zin van art. 27 lid 1 Sv kon worden
gekwalificeerd. Op grond hiervan mocht de man worden gefouilleerd.
Bij de Hollende Kleurling: de enkele omstandigheid dat iemand uit de
richting van een café komt rennen dat bekend staat als verzamelplaats
voor handelaren en gebruikers in verdovende middelen levert niet een
redelijk vermoeden van enig strafbaar feit als bedoeld in artikel 27 WvSv
op.
Zigeunerdames Heeft de opsporingsambtenaar zijn bevoegdheid misbruikt omdat hij een
auto staande houde conform de WVW teneinde strafbare feiten uit het Sr
geen sprake van op te sporen? De HR benadrukt dat het bestaan van een redelijk
detournement de vermoeden van schuld niet in de weg staat aan het uitoefenen van
pouvoir controlebevoegdheden, zolang de rechten van de verdachte in acht
worden genomen. Openbaar ministerie werd hier wel ontvankelijk
verklaard omdat er geen sprake was van ernstige inbreuk op de
beginselen van behoorlijke procesorde.
Het feit dat het stopteken is gegeven naar aanleiding van informatie die
wijst op betrokkenheid bij diefstal, doet geen afbreuk aan rechtmatigheid
uitoefening van deze controlebevoegdheid. De controle bevoegdheid is
namelijk niet uitsluitend gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze
is verleend. Dit komt omdat de politie ook heeft gevraagd naar het
rijbewijs. De enkele stelling dat de politieambtenaren van hun
controlebevoegdheid ex art. 160 WVW 1994 misbruik hebben gemaakt
door die bevoegdheid aan te wenden teneinde strafbare feiten vermeld in
, het Wetboek van strafrecht op te sporen, kan niet de gevolgtrekking
wettigen dat van een zodanig ernstige inbreuk op beginselen van een
goede procesorde sprake is i.d.z.v. voormeld arrest, dat het OM niet-
ontvankelijk moet worden verklaard.
Anonieme informatie De invulling van het verdenkingcriterium zoals dat besloten ligt in artikel
27 lid 1 Sv alsmede in de bijzondere wetgeving, wordt hoofdzakelijk
Redelijk vermoeden bepaald door de casuïstiek, ook waar het gaat om de bruikbaarheid en het
Anonieme informatie als gewicht van anoniem verstrekte informatie.
startinformatie
Anonieme melding voldoende voor redelijk vermoeden?
Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er zijn
verschillende gezichtspunten:
- voldoende concreet en gedetailleerd
- politie/justitie naar aanleiding van de melding gedegen
onderzoek doet voordat zij actie onderneemt. Er vindt dus
een zelfstandige beoordeling plaats van de inhoud door
politie en of justitie. Melding hoeft niet per se ondersteund
te worden want het gaat hier om gezichtspunten.
- concrete mogelijkheden tijdens het ingrijpen, mede gelet op
de spoed. In beginsel geldt dat de verificatie van anoniem
verkregen informatie geschiedt met de minst ingrijpende
bevoegdheden.
- aard van de toegepaste bevoegdheden
- de mogelijkheid van de voorafgaande inzet van minder
verstrekkende bevoegdheden alsmede de eventuele
alternatieven voor strafvorderlijk optreden.
Voor het aannemen van voldoende verdenking is niet in alle gevallen van
een MMA-melding nader onderzoek vereist. Indien een bepaalde
anonieme melding zonder nadere verificatie onvoldoende is voor een
verdenking van overtreding van de Opiumwet, wordt de
onrechtmatigheid van het op basis van die melding binnentreden van een
woning niet weggenomen doordat spoed geboden was.
Anonieme informatie vervat in een melding van Team criminele
inlichtingen? (CIE) Dit brengt extra betrouwbaarheid met zich
mee omdat hier dus al een instantie ernaar heeft gekeken. Hier
hoeft de tip dus niet geverifieerd te worden. het gaat hierbij dus
om het beginpunt.
Raadsman bij politieverhoor Uit het Salduz arrest kan worden afgeleid dat een verdachte aan Art. 6
EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die onthoudt dat
Salduz uitspraak hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor
Raadsman vooraf door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een
politieverhoor advocaat te raadplegen. Uit de Rechtspraak van het EHRM kan niet
Raadsman tijdens worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op de aanwezigheid van
politieverhoor een verdachte BIJ het politieverhoor. Het consultatierecht verkreeg in dit
arrest dus een juridische basis. Niet dankzij de wetgever maar dankzij de
wijze waarop de HR de jurisprudentie van het EHRM interpreteerde.
Consultatierecht van de verdachte. Een aangehouden verdachte moet,
behoudens uitzonderingen, binnen redelijke grenzen gelegenheid
worden geboden voor het politieverhoor een advocaat te raadplegen en
op dat recht moet hij worden gewezen, maar hij heeft geen recht op de
aanwezigheid van een advocaat bij dat verhoor. Niet- naleving van deze
regels zal, ingeval van een verweer terzake, moeten leiden tot
, bewijsuitsluiting van de verklaringen (en die hieruit rechtstreeks volgen)
van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon
raadplegen.
In dit arrest was de vraag aan de orde of een verdachte ook recht had op
een advocaat TIJDENS het politieverhoor. Er was namelijk een Eu-
richtlijn die stelde dat hier wel recht op was, maar deze richtlijn was nog
niet omgezet in wetgeving.
Advocaat- Generaal: hij stelde dat het bewijs moest worden uitgesloten
omdat er sprake zou zijn van vormverzuim, Art. 359 Sv. Hij stelde zich op
het standpunt dat de verdachte tijdens het verhoor ook recht had op een
advocaat. Zij baseerde zich op rechtspraak van het EHRM en op een
recente Europese richtlijn.
De Hoge Raad: zij nam het advies van de advocaat generaal niet over. Zij
vond dat het opstellen van algemene regeling met betrekking tot dit
onderwerp ‘mede gelet op de beleidsmatige, organisatorische en
financiele aspecten de rechtsvormende taak van de HR te buiten gaat’.
Het is aan de wetgever, zo oordeelt de Hoge Raad vandaag, om te
voorzien in een algemene wettelijke regeling. De Hoge Raad wijst erop dat
de lidstaten nog langer te tijd hadden om die richtlijn in te voeren. Tot die
tijd kunnen hier niet rechtstreekse rechten of verplichtingen aan worden
ontleend. Het feit dat het EHRM in een aantal concrete zaken heeft beslist
dat het ontbreken van verhoorbijstand meebracht dat de verdachte
geen eerlijk proces had, leidt er niet toe dat de Hoge Raad zelf zo’n
algemene regeling kan opstellen.
Noot: De Hoge Raad zat er hier naast. Niemand wilt namelijk dat de HR
zich als wetgever plaatsvervanger gaat gedragen. De vraag was of er in
deze specifieke context de afwezigheid van een verhoorbijstand door de
beugel kon. Merkwaardig vond hij hier ook dat de HR het recht op
verhoorbijstand niet wilde erkennen maar wel vond dat er snel een
nieuwe regeling moest worden opgesteld en uitvoering gegeven moest
worden aan de EU- richtlijn. Rechtsontwikkeling, waar de HR zo de nadruk
op neerlegt, is gebaat bij ‘meedenkende’ en niet ‘afhoudende’ arresten.
De ‘stille sms’ In de onderhavige zaak werden twee stealth-sms’en verstuurd. Hierdoor
Gebruik bijzondere kan de politie bepalen door welke zendmast de telefoon waarnaar het
opsporingsmiddelen sms-bericht is verstuurd, wordt aangestraald. De gebruiker van de
Bewijsuitsluiting telefoon merkt niets van de stealth-sms. De raadsman heeft zich
Beperkte inbreuk vervolgens op het standpunt gesteld dat de inzet van stealth-sms zonder
wettelijke basis heeft plaatsgevonden, waarmee een inbreuk is gemaakt
op de verdachte z’n privacy. Tevens dient de gevonden kilo cocaïne te
worden uitgesloten van het bewijs, nu dit een vrucht is van de stealth-
sms’en.
Het toezenden van voor de gebruiker van de telefoon niet-waarneembare
sms-berichten is als zodanig niet in een daarop toegesneden wettelijke
bepaling geregeld. Voor een dergelijke wijze van opsporing moet worden
aangenomen dat de opsporingsambtenaren o.g.v. art. 2 (oud) Politiewet
1993 (thans art. 3 Politiewet 2012) en art. 141 en 142 Sv, zoals in de
rechtspraak van de HR uitgelegd, alleen bevoegd zijn haar in te zetten op
een wijze die een beperkte inbreuk maakt op grondrechten van burgers
en die niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de
opsporing. De toepassing van de methode kan jegens de gebruiker