Wereldbeelden op de helling
5.1 Correspondentie en coherentie
Wat mogen en/of moeten we nu eigenlijk geloven? Hoe kunnen we te weten komen wat waar is
en wat niet?
Waarnemingskennis en getuigenkennis
Onze eigen waarnemingen en getuigenissen van anderen zijn zeer vergelijkbare kennisbronnen.
De problemen die zich met beide kennisbronnen kunnen voordoen, zijn nauw verwant: zoals
onze ogen en onze geest bedrogen kunnen worden, zo kunnen wij ook bedrogen worden door
getuigen. Er zijn ook opmerkelijke graduele verschillen tussen waarnemingskennis en
getuigeniskennis. Zo zijn er ten eerste graduele verschillen qua strekking. Het leeuwendeel van
wat we weten, weten we ‘van horen zeggen’. Wat we daarentegen waarnemen, vormt slechts een
uiterst kleine fractie van wat er waargenomen kan worden. Een tweede gradueel verschil betreft
de betrouwbaarheid van beide kennisbronnen: in beide gevallen kan het fout lopen, maar over
het algemeen is dat wat we zelf hebben waargenomen betrouwbaarder dan dat wat we ‘van
horen zeggen’ weten. Waar Hume vereist dat een getuigenis uiteindelijk teruggevoerd moet
kunnen worden op waarnemingen, daar meent Reid dat we in principe altijd kunnen afgaan op
getuigenissen, tenzij we goede redenen hebben om een bepaalde getuigenis te wantrouwen.
We hebben eerder afgesproken dat beweerzinnen ‘waar’ zijn als ze in overeenstemming zijn met
de feiten. Dat heet de correspondentietheorie van waarheid. Als we in een concrete situatie
kennis willen verwerven en aan ‘waarheidsvinding’ willen doen, dan hebben we niets aan dé
definitie van waarheid of dé analyse van kennis. Dan hebben we een criterium nodig om
informatie te beoordelen en al dan niet voor ‘waar’ aan te nemen. Dat criterium kan moeilijk
zijn: wat in overeenstemming is met de feiten. De vraag is namelijk nu juist of en hoe we te
weten kunnen komen wat de feiten zijn. Het korte antwoord op deze vraag is: we hebben
ervaringen en vormen hypotheses over wat het geval zou kunnen zijn d.m.v. abductieve
denkstappen. Maar dit antwoord is ontoereikend. Eindeloos veel hypotheses kunnen onze
ervaringen verklaren. Nu zijn er natuurlijk verschillende kandidaat-criteria, waarover de meeste
filosofen het eens zijn dat coherentie met reeds verworven overtuigingen een erg belangrijke rol
spelen. Ook de vragen die je jezelf stelt – je ‘onderzoekshypotheses’ – zijn geënt op consistentie
en coherentie. Hoe je het ook wendt of keert, coherentie zal een belangrijke rol spelen in wat je
uiteindelijk voor waar aanneemt.
5.2 Wetenschappelijk en activistisch scepticisme
Laten we even aannemen dat de samenhang met overtuigingen waartoe we eerder al gekomen
zijn, een doorslaggevende rol speelt bij wat we geloven en voor waar aannemen. Brengt dat met
zich mee dat coherentie het waarheidscriterium behoort te zijn? Is het niet één ding om te
zeggen hoe we feitelijk informatie beoordelen en iets helemaal anders om te zeggen hoe we dat
eigenlijk zouden moeten doen? Er kan in dit opzicht toch een kloof bestaan tussen hoe de dingen
zijn en hoe ze zouden moeten zijn? Twee klassieke bezwaren tegen het coherentisme zijn de
kloof tussen is en ought en de mogelijkheid dat een maximaal coherente theorie in geen enkel
opzicht in overeenstemming is met de werkelijkheid.
Volgens wetenschappelijke sceptici speelt coherentie wel een belangrijke rol, maar garandeert
die op zichzelf genomen niet dat tot waarheden komen. Volgens hen bestaat er een
onafhankelijker en betrouwbaarder criterium: de wetenschap en de wetenschappelijke