VROEGMODERNE TIJD
HC: BRITSE RIJK 1585-1900
1. Stichting kolonie de Verenigde staten
Ontdekkingsreizen en reformatie zorgden ervoor dat protestants Engeland wil
Noord-Amerika als uitvalsbasis tegen concurrent Spanje en als kolonie.
➔ Engeland gaat mensen stimuleren om naar Noord-Amerika te gaan.
In 1620: Pilgrim Fathers stichten eerste nederzetting, met als doel:
nieuwe protestantse samenleving.
Daarna veel andere kolonisten, met als doel geld te verdienen.
- Eerst: handelscontacten met inheemse bevolking
- Later: Inheemse bevolking sterft
➔ driehoekshandel door Royal African Company
Verschillende soorten koloniën:
● Koloniën noordoosten: landbouw, handel en nijverheid
● Koloniën zuiden en caribisch gebied: plantagekolonien met slaven voor verbouwen
(tabak en katoen)
2. Onafhankelijkheid en abolitionisme
Verlichte ideeën:
● Natuurlijke rechten (vrijheid)
● Volkssoevereiniteit, macht van regering hangt af van goedkeuring volk
● Trias politica, scheiding tussen machten
Kolonisten in Noord-Amerika boos want ze hebben geen inspraak in Brits bestuur, maar
moeten wel belasting betalen.
➔ 1776 Amerikaanse revolutie: opstand en stichting van een onafhankelijke staat
Eind 18de eeuw: abolitionisme (onder verlichte en christelijke mensen)
● 1807 verbod op slavenhandel
➔ zorgt voor economische neergang op eilanden: Jamaica en Barbados
● 1882 verbod slavernij in grootste delen Britse rijk
3. Koloniën India
Begin 17de eeuw: East India Company stichtte factorijen in India.
Tot 1765 handelen met lokale mogol-vorsten, nog geen Britten in het bestuur.
1765 Verdrag van Allahabad, Britten mogen belasting heffen
1765-1857 EIC beheerst grote delen van India
● Bestuur: Samenwerking van bestaand bestuur met het Brits-Indische leger en de
Royal Navy.
● Cultuur: Indiase culturele / religieuze gebruiken worden toegestaan
, 1857 opstond in India wordt neergeslagen
➔ Britse regering neemt bestuur over
➔ Koningin Victoria wordt keizerin van India
4. Modern imperialisme in India
Doel 1: economische macht Doel 2: cultuur verspreiden
● aanleg spoorwegen ● invoering engelse taal, rechtssysteem
● opening suezkanaal voor schepen en onderwijssysteem
➔ uitbuiting ➔ Indiërs willen gelijke kansen
➔ 1885 Indian national congress
● plantages voor grondstoffen,
afzetmarkt om spullen te verkopen
5. Gevolgen in Groot-Britannië
Vanaf ± 1750:
● De industriële revolutie (stoommachine en spinning jenny)
● Bevolkingsgroei door betere landbouw en ziektebestrijding
● Uitbuiting koloniën levert veel geld op door
- grondstoffen (bijvoorbeeld katoen)
- afzetmarkt (verkopen van producten
➔ Economie verandert van handelskapitalisme naar industrieel kapitalisme
Drie gevolgen:
● Meer macht naar industriesteden door Reform Bill (1832): ondernemers krijgen meer
politieke inspraak ➔ liberale economie (weinig regels)
● Veel macht en winst voor Groot-Britannië
- Groot-Brittannië financiële centrum van de wereld
(1851 eerste wereldtentoonstelling in Londen)
- Vanaf 1870 meer concurrentie van Frankrijk en Duitsland
➔ Groot-Brittannië wil nog verder uitbreiden
➔ Rond 1900 bezit Groot-Brittannië 25% van de wereld
- Britten dwingen handel af bij andere landen met marine
● Slechte omstandigheden in fabrieken, overheid grijpt niet in.
Toch veranderingen door:
- Socialisme, arbeiders voeren zelf actie (met bijvoorbeeld vakbonden)
- Sociale kwestie, sommige rijke ondernemers zetten zich in voor arbeiders
(bijvoorbeeld Robert Owens)
➔ 1833 Factory Acts: meer rechten voor arbeiders
MODERNE TIJD
HC: BRITSE RIJK 1585-1900
1. Stichting kolonie de Verenigde staten
Ontdekkingsreizen en reformatie zorgden ervoor dat protestants Engeland wil
Noord-Amerika als uitvalsbasis tegen concurrent Spanje en als kolonie.
➔ Engeland gaat mensen stimuleren om naar Noord-Amerika te gaan.
In 1620: Pilgrim Fathers stichten eerste nederzetting, met als doel:
nieuwe protestantse samenleving.
Daarna veel andere kolonisten, met als doel geld te verdienen.
- Eerst: handelscontacten met inheemse bevolking
- Later: Inheemse bevolking sterft
➔ driehoekshandel door Royal African Company
Verschillende soorten koloniën:
● Koloniën noordoosten: landbouw, handel en nijverheid
● Koloniën zuiden en caribisch gebied: plantagekolonien met slaven voor verbouwen
(tabak en katoen)
2. Onafhankelijkheid en abolitionisme
Verlichte ideeën:
● Natuurlijke rechten (vrijheid)
● Volkssoevereiniteit, macht van regering hangt af van goedkeuring volk
● Trias politica, scheiding tussen machten
Kolonisten in Noord-Amerika boos want ze hebben geen inspraak in Brits bestuur, maar
moeten wel belasting betalen.
➔ 1776 Amerikaanse revolutie: opstand en stichting van een onafhankelijke staat
Eind 18de eeuw: abolitionisme (onder verlichte en christelijke mensen)
● 1807 verbod op slavenhandel
➔ zorgt voor economische neergang op eilanden: Jamaica en Barbados
● 1882 verbod slavernij in grootste delen Britse rijk
3. Koloniën India
Begin 17de eeuw: East India Company stichtte factorijen in India.
Tot 1765 handelen met lokale mogol-vorsten, nog geen Britten in het bestuur.
1765 Verdrag van Allahabad, Britten mogen belasting heffen
1765-1857 EIC beheerst grote delen van India
● Bestuur: Samenwerking van bestaand bestuur met het Brits-Indische leger en de
Royal Navy.
● Cultuur: Indiase culturele / religieuze gebruiken worden toegestaan
, 1857 opstond in India wordt neergeslagen
➔ Britse regering neemt bestuur over
➔ Koningin Victoria wordt keizerin van India
4. Modern imperialisme in India
Doel 1: economische macht Doel 2: cultuur verspreiden
● aanleg spoorwegen ● invoering engelse taal, rechtssysteem
● opening suezkanaal voor schepen en onderwijssysteem
➔ uitbuiting ➔ Indiërs willen gelijke kansen
➔ 1885 Indian national congress
● plantages voor grondstoffen,
afzetmarkt om spullen te verkopen
5. Gevolgen in Groot-Britannië
Vanaf ± 1750:
● De industriële revolutie (stoommachine en spinning jenny)
● Bevolkingsgroei door betere landbouw en ziektebestrijding
● Uitbuiting koloniën levert veel geld op door
- grondstoffen (bijvoorbeeld katoen)
- afzetmarkt (verkopen van producten
➔ Economie verandert van handelskapitalisme naar industrieel kapitalisme
Drie gevolgen:
● Meer macht naar industriesteden door Reform Bill (1832): ondernemers krijgen meer
politieke inspraak ➔ liberale economie (weinig regels)
● Veel macht en winst voor Groot-Britannië
- Groot-Brittannië financiële centrum van de wereld
(1851 eerste wereldtentoonstelling in Londen)
- Vanaf 1870 meer concurrentie van Frankrijk en Duitsland
➔ Groot-Brittannië wil nog verder uitbreiden
➔ Rond 1900 bezit Groot-Brittannië 25% van de wereld
- Britten dwingen handel af bij andere landen met marine
● Slechte omstandigheden in fabrieken, overheid grijpt niet in.
Toch veranderingen door:
- Socialisme, arbeiders voeren zelf actie (met bijvoorbeeld vakbonden)
- Sociale kwestie, sommige rijke ondernemers zetten zich in voor arbeiders
(bijvoorbeeld Robert Owens)
➔ 1833 Factory Acts: meer rechten voor arbeiders
MODERNE TIJD