Leerdoelen en verwerkingsopdrachten week 5
OAC 1 FS Cardiovasculaire aanpassing training
De student kan beschrijven welke fysiologische aanpassingen op het niveau van de spieren
optreden als gevolg van training.
Perifere trainingseffecten door duurtraining
In skeletspieren kunnen door gerichte training de volgende lokale (perifere) trainingseffecten optreden.
1. Toename van de hoeveelheid en de grootte van de mitochondriën.
2. Toename van het aantal doorbloede capillairen in spieren.
3. Toename van de concentratie spierenzymen.
4. Toename van de hoeveelheid energierijke fosfaten (ATP, CP).
5. Toename van de hoeveelheid spierglycogeen.
Aanpassingen door krachttraining:
In het algemeen kun je stellen dat krachttraining leidt tot een toename van de spierkracht. Deze toename wordt
veroorzaakt door coördinatieverbetering en/of door hypertrofie.
Coördinatieverbetering Coördinatieverbetering treedt al na een korte periode van krachttraining op (zie par.
3.2.4). In sommige gevallen kan men zelfs in de eerste training al een verbetering van de co- ordinatie zien. Het is
een effect van het leergedrag van ons zenuwstelsel en heeft dus geen langdurige opbouw van spiereiwitten en
andere structuurelementen nodig. De verbetering van de coördinatie omvat een verbetering van zowel de
intramusculaire coördinatie als de intermusculaire coördinatie.
Intramusculaire coördinatie omvat de activatie van motorische eenheden in een spier(groep). De intramusculaire
coördinatie kan verbeteren door een optimalisatie van de synchronisatie van de activiteit van motorische
eenheden en een toename van de activatie van motorische eenheden (de vuurfrequentie en het aantal
geactiveerde motorunits nemen toe).
De intermusculaire coördinatie verbetert door een afname van co-contracties en afstemming van agonisten op de
gevraagde functie (de techniek verbetert).
Hypertrofie Hypertrofie is een toename van de diameter van de individuele spiervezels. Hypertrofie wordt
toegeschreven aan een toename van het aantal en de doorsnede van de myofibrillen, voornamelijk door een
toename van de contractiele eiwitten. Bovendien treedt er een toename van de hoeveelheid en de sterkte van het
bindweefsel op. De hypertrofie is het duidelijkst in de type-II-vezels.
De student kan beschrijven welke cardiorespiratoire aanpassingen optreden als gevolg van
training.
1. Verlaagde hartfrequentie (in rust en bij submaximale inspanning).
2. Toegenomen slagvolume van het hart.
3. Toename van het hartminuutvolume tijdens maximale inspanning.
4. Toename van bloedvolume en hemoglobinegehalte.
5. Toename van het a-vO2-verschil.
6. Daling van de bloeddruk.
7. Toename van de VO2max.
8. Verhoging van de anaerobe drempel.
9. Toename van het maximale ademminuutvolume.
10. Toename van de effectiviteit van de ventilatie.
11. Vergroting van de diffusiecapaciteit van de longen.
12. Vergroting van longvolumina en -capaciteiten
OAC 1 FS Cardiovasculaire aanpassing training
De student kan beschrijven welke fysiologische aanpassingen op het niveau van de spieren
optreden als gevolg van training.
Perifere trainingseffecten door duurtraining
In skeletspieren kunnen door gerichte training de volgende lokale (perifere) trainingseffecten optreden.
1. Toename van de hoeveelheid en de grootte van de mitochondriën.
2. Toename van het aantal doorbloede capillairen in spieren.
3. Toename van de concentratie spierenzymen.
4. Toename van de hoeveelheid energierijke fosfaten (ATP, CP).
5. Toename van de hoeveelheid spierglycogeen.
Aanpassingen door krachttraining:
In het algemeen kun je stellen dat krachttraining leidt tot een toename van de spierkracht. Deze toename wordt
veroorzaakt door coördinatieverbetering en/of door hypertrofie.
Coördinatieverbetering Coördinatieverbetering treedt al na een korte periode van krachttraining op (zie par.
3.2.4). In sommige gevallen kan men zelfs in de eerste training al een verbetering van de co- ordinatie zien. Het is
een effect van het leergedrag van ons zenuwstelsel en heeft dus geen langdurige opbouw van spiereiwitten en
andere structuurelementen nodig. De verbetering van de coördinatie omvat een verbetering van zowel de
intramusculaire coördinatie als de intermusculaire coördinatie.
Intramusculaire coördinatie omvat de activatie van motorische eenheden in een spier(groep). De intramusculaire
coördinatie kan verbeteren door een optimalisatie van de synchronisatie van de activiteit van motorische
eenheden en een toename van de activatie van motorische eenheden (de vuurfrequentie en het aantal
geactiveerde motorunits nemen toe).
De intermusculaire coördinatie verbetert door een afname van co-contracties en afstemming van agonisten op de
gevraagde functie (de techniek verbetert).
Hypertrofie Hypertrofie is een toename van de diameter van de individuele spiervezels. Hypertrofie wordt
toegeschreven aan een toename van het aantal en de doorsnede van de myofibrillen, voornamelijk door een
toename van de contractiele eiwitten. Bovendien treedt er een toename van de hoeveelheid en de sterkte van het
bindweefsel op. De hypertrofie is het duidelijkst in de type-II-vezels.
De student kan beschrijven welke cardiorespiratoire aanpassingen optreden als gevolg van
training.
1. Verlaagde hartfrequentie (in rust en bij submaximale inspanning).
2. Toegenomen slagvolume van het hart.
3. Toename van het hartminuutvolume tijdens maximale inspanning.
4. Toename van bloedvolume en hemoglobinegehalte.
5. Toename van het a-vO2-verschil.
6. Daling van de bloeddruk.
7. Toename van de VO2max.
8. Verhoging van de anaerobe drempel.
9. Toename van het maximale ademminuutvolume.
10. Toename van de effectiviteit van de ventilatie.
11. Vergroting van de diffusiecapaciteit van de longen.
12. Vergroting van longvolumina en -capaciteiten