Bastiaan, vijf jaar oud, is boos omdat Tim zijn koekjes heeft afgepakt. Hij wil hem slaan, maar zijn
moeder heeft hem dat verboden. Hij weet dat zijn moeder niet wil dat hij slaat en dat hij gestraft
zal worden als hij dat doet. Hij besluit daarom om Bastiaan niet te slaan.
Zijn gedrag wordt grotendeels bepaald door zijn:
a. Superego
b. Ego
c. Id
2.
Erikson staat bekend om zijn acht stadiamodel in de menselijke levensloop. Elk stadium wordt
gekenmerkt door een ontwikkelingsprincipe. Lees het volgende voorbeeld: Nadia ervaart dat
haar ouders er altijd voor haar zijn. Dat ze eten krijgt als ze honger heeft en dat ze getroost
wordt als ze verdrietig is en dat haar ouders terugkomen als ze zijn weggeweest. Haar ouders
reageren adequaat op haar behoeften. Ze voelt zich veilig. In deze fase van haar leven is dat
essentieel.
Hoe noemt Erikson het ontwikkelingsprincipe van deze fase?
a. Initiatief versus schuld
b. Autonomie versus schaamte
c. Vertrouwen versus wantrouwen
3.
Toen Latoya pas geboren was, had ze de neiging haar hoofd te draaien naar dingen, die haar
wang raakten.
Dit is een voorbeeld van:
a. zuigreflex
b. zoekreflex
c. mororeflex
4.
Jojanneke, 13 jaar, vertoont erg risicovol gedrag en kan absoluut nog niet plannen en overzien
wat de effecten zijn van haar gedrag. Dat komt doordat een deel van haar hersenen nog niet
volgroeid is.
Dit deel heet de:
a. Frontale cortex
b. Hersenstam
c. Amygdala
5.
Selma is aan het rekenen. Ze leest de sommen die juf op het bord heeft geschreven en schrijft ze
over in haar schrijft : 2 x 5 , 8 x 4 enzovoort. Vervolgens schrijft ze de antwoorden erbij.
Selma zit volgens Bruner in het stadium van:
a. Enactieve denken
b. Iconisch denken
c. Symbolisch denken