Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Antwoorden

Uitgebreide uitwerking alle werkgroepopdrachten Beginselen Strafrecht week 1 t/m 7

Beoordeling
4.3
(20)
Verkocht
28
Pagina's
68
Geüpload op
08-12-2016
Geschreven in
2016/2017

Dit bestand bevat uitwerkingen met extra uitleg van alle werkgroepopdrachten van Beginselen Strafrecht van week 1 t/m 7 van het studiejaar 2016/2017. Alle werkgroepvragen zijn beantwoord zoals dat op het tentamen wordt verlangd. Let op: dit bestand bevat nu alleen nog de uitwerkingen van week 1 t/m 6. De uitwerkingen van week 7 en de toelichting van de meerkeuzevragen van week 5 en 6 zullen in de loop van de volgende week aan dit bestand worden toegevoegd.

Meer zien Lees minder
Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

Uitwerkingen werkgroepopdrachten Beginselen Strafrecht
week 1 t/m 7

Dit document bevat uitgebreide uitwerkingen met extra uitleg van alle
werkgroepopdrachten van het vak Beginselen Strafrecht van week 1 t/m 7. Alle
casusvragen zijn uitgewerkt zoals dat op het tentamen wordt verlangd en
bevatten alle benodigde elementen voor een goed antwoord. Sommige vragen
kunnen (veel) korter worden beantwoord, mits alle voor die vraag benodigde
wettelijke bepalingen en arresten worden genoemd, alle vereisten van die
bepalingen en arresten worden genoemd en vervolgens worden toegepast op
de casus. Vooral de verwijzing naar jurisprudentie mag op het tentamen veel
bondiger.




Literatuur (Grondtrekken):

hoofdstuk 1: Inleiding
hoofdstuk 2: Inleiding materieel strafrecht
hoofdstuk 11: Het rechterlijk beslissingsschema

Jurisprudentie die tentamenstof is

Geen

Jurisprudentie die geen tentamenstof is

HR 20 mei 1986, NJ 1987/130 (Valse sleutel)
HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796 (Mafkees)

Deze rechterlijke uitspraken zijn niet opgenomen in de arrestenbundel. Je moet deze
zelf opzoeken. Op Blackboard staat in de map ‘Werkgroepen’ een document waarin
wordt uitgelegd hoe je dat kunt doen. In dat document wordt ook uitgelegd wat de
betekenis is van de aanduidingen NJ en ECLI.

Leerdoelen

Na het bestuderen van de tentamenstof en het volgen van het hoorcollege en de
werkgroep is student tot het volgende in staat:
 Het zelf opzoeken van rechterlijke uitspraken.
 Het onderscheiden van materieel en formeel strafrecht.
 Het onderscheiden van verschillende soorten delicten.
 Het onderscheiden van bestanddelen en elementen.
 Het uitleggen van de structuur van het strafbare feit.
 Het uitleggen van de betekenis van het legaliteitsbeginsel.
 Het uitleggen op welke wijze bestanddelen kunnen worden geïnterpreteerd.
 Het toepassen van het rechterlijke beslissingsmodel.

,I Vragen over hoofdstukken 1 en 2

Opmerking vooraf:
Motiveer je antwoorden altijd! Ja of nee is nooit voldoende en geldt niet als een
serieuze voorbereiding. Geef bij multiplechoicevragen altijd van alle
antwoordalternatieven aan waarom zij juist of onjuist zijn.

1. Wat is juist ten aanzien van artikel 138a Sr?
a) Deze strafbepaling behoort tot het bijzondere strafrecht.
b) In deze strafbepaling wordt een overtreding strafbaar gesteld.
c) Bij de in deze bepaling strafbaar gestelde gedraging is wederrechtelijkheid
een element.
d) Voor strafbaarheid op grond van deze strafbepaling is vereist dat de
dader verwijtbaar heeft gehandeld.

Toelichting
- a: Het strafrecht dat in de wetboeken is opgenomen is het commune strafrecht.
Daarnaast bestaan er veel strafbepalingen in andere wetten, zoals de Wegen-
verkeerswet. Deze wetten worden bijzondere strafwetten genoemd en vormen
tezamen het bijzondere strafrecht. Art. 138a Sr staat in Boek II van het
Wetboek van Strafrecht. Daarmee behoort dit artikel tot het commune
strafrecht, wat betekent dat antwoord a dus fout is.
- b: Misdrijven staan opgesomd in Boek II van het Wetboek van Strafrecht en
overtredingen in Boek III. Art. 138a Sr staat in Boek II van het Wetboek van
Strafrecht. Daarmee is het een misdrijf en is antwoord b dus fout.
- c: De elementen zijn de vier componenten voor strafbaarheid, bestaande uit:
een menselijke gedraging (MG), wettelijke delictsomschrijving (DO),
wederrechtelijkheid (W) en verwijtbaarheid (V). Wederrechtelijkheid is altijd een
voorwaarde voor strafbaarheid. Soms staat die wederrechtelijkheid echter in de
delictsomschrijving, waarmee wederrechtelijkheid geen element, maar een
bestanddeel is. Een bestanddeel is namelijk een onderdeel van de delicts-
omschrijving. In art. 138a Sr wordt het woord ‘wederrechtelijkheid’ in de
delictsomschrijving vermeld. Daarmee is wederrechtelijkheid in dit artikel een
bestanddeel en geen element. Antwoord c is dus fout.
- d: Net als voor ieder ander misdrijf, geldt ook voor dit misdrijf dat vereist is dat
de dader verwijtbaar heeft gehandeld. Verwijtbaarheid is namelijk net als
wederrechtelijkheid altijd een voorwaarde voor strafbaarheid. Verwijtbaarheid
wordt verondersteld aanwezig te zijn en staat daarom niet in de
delictsomschrijving. Schulduitsluitingsgronden maken het echter mogelijk dat
bepaald gedrag dat valt binnen de wettelijke delictsomschrijving, niet die
persoon te verwijten valt. Antwoord d is dus goed.


2. Marcel woont in Rotterdam. Op een avond koopt hij een joint in een
coffeeshop en steekt deze in een parkje aan. Tot zijn verbazing wordt
meteen daarop zijn joint in beslag genomen door een politieagent, die zegt
dat hij artikel 2:74a lid 2 van de APV 2012 van de gemeente Rotterdam heeft
overtreden. De desbetreffende bepaling luidt als volgt:
‘Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek
toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen


2

, als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende
waar te gebruiken.’ (art. 3 OW ziet op softdrugs, zoals joints en art. 2 op
harddrugs, zoals cocaïne)

In de toelichting op deze bepaling door de gemeente staat:
‘Vele druggebruikers gebruiken hun (hard) drugs - of treffen daartoe
voorbereidingen - in het openbaar. Dit veroorzaakt veel gevoelens van
onbehagen en onveiligheid bij het publiek. Op basis van dit artikel kan de
politie overgaan tot aanhouding van de betrokken gebruikers of deze van
bepaalde - bij hen favoriete - plekken wegsturen. Ook kan de politie de
voorwerpen waarmee de overtreding wordt gepleegd (hulpmiddelen, drugs)
strafrechtelijk in beslag nemen.’

Uiteindelijk komt de zaak voor de rechter. Daar voert de raadsman van
Marcel drie verweren:
1. Alle drugsdelicten zijn strafbaar gesteld in de Opiumwet. De gemeente
mocht het blowen dus helemaal niet strafbaar stellen. Omdat blowen in
het openbaar in de Opiumwet niet verboden is (NB: dat is correct), is
Marcel niet strafbaar.
2. De APV van de gemeente Den Haag bevat in artikel 2:74 lid 2 een
soortgelijke bepaling, maar daarin wordt alleen artikel 2 van de
Opiumwet genoemd (NB: dat is correct). In Den Haag is het in het
openbaar blowen dus niet strafbaar, maar in Rotterdam wel. Omdat
daardoor onduidelijk is wat precies waar strafbaar is, bestaat strijd met
het legaliteitsbeginsel.
3. Marcel heeft de joint niet ‘gebruikt’, maar alleen aangestoken. Voordat
hij een trekje van zijn joint kon nemen, werd deze al door de agent in
beslag genomen. Omdat hij geen verdovende middelen heeft gebruikt, is
hij niet strafbaar.

Zijn dit wat jou betreft kansrijke verweren?
1. Ten aanzien van verweer één:
Strafwetten kunnen zijn vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht, die het
commune strafrecht vormen. Ook kunnen strafwetten zijn vastgelegd in bijzondere
strafwetten, zoals de Opiumwet, die tezamen het bijzondere strafrecht vormen.
Daarnaast kunnen gemeenten strafwetten vastleggen in algemene plaatselijke
verordeningen (APV) die afwijken van de strafwetten van andere gemeenten. In de
APV mogen namelijk ter handhaving van de openbare orde gedragingen strafbaar
worden gesteld die in hogere wetgeving niet strafbaar zijn gesteld. De
gemeenteraad mag zich dus begeven op het gebied van de hogere wetgever, maar
hij mag niet dupliceren: één op één een wettelijke bepaling kopiëren en deze
vervolgens verbieden of buiten werking stellen. In de Opiumwet is het bezit van
verdovende middelen strafbaar gesteld, maar het gebruik ervan niet. Dat betekent
dat de gemeenteraad ter handhaving van de openbare orde het gebruik van
verdovende middelen mag strafbaar stellen. Dit verweer is daarmee geen kansrijk
verweer.
2. Ten aanzien van verweer twee:
Het legaliteitsbeginsel van art. 16 Gw, art. 1 Sr en art. 1 Sv is een waarborg voor
de rechtszekerheid. Dat beginsel houdt in dat overheidshandelen gebaseerd moet
zijn op een vooraf aanwezige wettelijke bepaling. Daarmee voorkomt het dat de


3

, wetgever met terugwerkende kracht regels kan opleggen. Ervan uitgaande dat
artikel 2:74 lid 2 APV Rotterdam eerder bestond dan dat Marcel de joint opstak, is
deze bepaling dus niet in strijd met het legaliteitsbeginsel. Dit verweer is daarmee
geen kansrijk verweer.
3. Ten aanzien van verweer drie:
In de toelichting op deze bepaling door de gemeente staat dat het treffen van
‘voorbereiding’ ook onder het woord ‘gebruiken’ valt. Het aansteken kan worden
gezien als een voorbereiding op het gebruiken van de joint, wat betekent dat
slechts het aansteken al strafbaar is. Dit is daarmee ook geen kansrijk verweer.

Toelichting
- Zie ECLI:HR:2105:3328 voor meer uitleg ten aanzien van het eerste verweer.
- Afwijkende regels tussen gemeenten leveren geen strijd op met het
legaliteitsbeginsel, maar kunnen wel afbreuk doen aan de rechtszekerheid.


3. Halima is student-assistent op de VU en heeft met haar personeelspas
toegang tot het besloten medewerkersgedeelte. Volgens de afspraken werkt
zij op dinsdag en donderdag. Zij heeft wat geldproblemen. Daarom komt zij
op een zaterdag – een dag waarop weinig medewerkers aanwezig zijn –
naar de VU, gaat met haar pas naar binnen, stopt (zonder toestemming) een
paar oude kostbare boeken van een hoogleraar in haar tas en vertrekt weer.
De boeken verkoopt zij.

Heeft Halima zich schuldig gemaakt aan diefstal met behulp van een valse
sleutel in de zin van artikel 311 lid 1, 5° Sr? Betrek het arrest Valse sleutel in
je antwoord.
Er is sprake van diefstal (met een valse sleutel) in de zin van art. 311 lid 1, 5° Sr indien
er diefstal wordt gepleegd met een valse sleutel. Uit de casus blijkt dat er diefstal wordt
gepleegd. In art. 90 Sr staat dat een valse sleutel een andere sleutel is dan is bestemd
om het slot te openen. Hiermee valt de personeelspas van de VU niet onder het begrip
valse sleutel van art. 90 Sr omdat deze pas wel is bestemd om de deur te openen die
toegang verleent tot het besloten werknemersgedeelte. Voor een nadere toelichting op
het begrip valse sleutel zal dus jurisprudentie moeten worden geraadpleegd.

In het arrest Valse Sleutel ging het om de volgende situatie:
Johan Albert van der K. had de sleutelbos van zijn buurman Benjamin uit zijn tas gepakt,
die op dat moment bij hem thuis was. Johan weet dat Ben alleen woont in een flat in
Hengelo en dat hij juwelen thuis heeft. Johan gaat vervolgens naar het huis van Ben en
met de huissleutel opent hij de voordeur van zijn woning. In de slaapkamer treft hij een
geldkist aan, welke hij met een sleutel opent. In de kist treft hij een zakje met diverse
juwelen aan, welke hij meeneemt, net als een aantal munten in een potje. Hierna sluit hij
alles af en gaat hij weg.
De Hoge Raad heeft in r.o. 5.1 van deze zaak geoordeeld dat: een huissleutel welke
tot opening van het slot van de toegangsdeur van een woning wordt gebruikt door
iemand die daartoe geen recht heeft, is ten aanzien van dat slot een valse sleutel.
Volgens de Hoge Raad is er dus sprake van een valse sleutel als:
- de sleutel wordt gebruikt tot opening van een slot van een toegangsdeur; en
- de sleutel door iemand wordt gebruikt die daartoe geen recht heeft.
In het geval van de student-assistent Halima gebruikt zij de personeelspas tot opening
van een slot van een toegangsdeur, want zij opent met deze pas de toegangsdeur van


4

,het besloten werknemersgedeelte en betreedt vervolgens deze ruimte. De
personeelspas wordt echter niet gebruikt door iemand die daartoe geen recht heeft,
want Halima is een student-assistent op de VU en heeft daarom rechtmatig toegang tot
het besloten werknemersgedeelte.

Conclusie: Halima heeft zich niet schuldig gemaakt aan diefstal met behulp van een
valse sleutel in de zin van art. 311 lid 1, 5° Sr, omdat zij geen gebruikt heeft gemaakt
van een valse sleutel.

Toelichting
- Er kan ook betoogd worden dat Halima volgens afspraak alleen op dinsdag en
donderdag werkt en daarom geen rechtmatig toegang heeft tot het besloten
werknemersgedeelte op zaterdag. In dat geval wordt de personeelspas wel
gebruikt door iemand die daartoe geen recht heeft, is daarmee sprake van een
valse sleutel en dus sprake van diefstal met een valse sleutel.
- In het geval niet kan worden vastgesteld dat Halima een valse sleutel heeft
gebruikt om de diefstal te plegen, zal zij van dit strafbaar feit moeten worden
vrijgesproken. Er is namelijk niet voldaan aan alle vereisten van de delicts-
omschrijving. Halima kan in dat geval alleen worden veroordeeld voor diefstal,
op voorwaarde dat de officier van justitie diefstal in de zin van art. 310 Sr heeft
ten laste gelegd. Dit volgt immers uit de in art. 350 Sv gelegen grondslagleer
die inhoudt dat de rechter alleen feiten bewezen mag verklaren die ten laste zijn
gelegd.
- Voorbeelden van valse sleutels zijn:
* het slot openmaken met een ijzerdraadje;
* het onrechtmatig gebruik van de pinpas van iemand anders met de code;
* het tanken met de tankpas van de werkgever terwijl de werknemer daar geen
recht op heeft.


4. Levert het uitmaken van een toezichthouder voor ‘mafkees’ volgens de
Hoge Raad het delict belediging (art. 266 Sr) op? Hoe dacht de advocaat-
generaal bij de Hoge Raad daarover in zijn conclusie?
Een toezichthouder houdt toezicht op de naleving van de wet en heeft taken die lijken
op die van de politie. De toezichthouder in de Mafkees-zaak was bevoegd om de
verdachte aan te houden.
In het arrest Mafkees ging het om de volgende situatie:
In het centrum van Almere-Oost riep een man in het bijzijn van veel winkelend publiek
luidkeels tegen een politieagent: “wat moet je nou mafkees” en keek daarbij in de richting
van de politieagent.
De Hoge Raad heeft in r.o. 2.5 geoordeeld dat: het roepen van mafkees in de richting
van een politieagent in het licht van deze omstandigheden zijn eer en goede naam
aantast.

De AG stelt in par. 30 conclusie AG dat: “Nu het beledigend karakter — naar mijn
mening — niet rechtstreeks volgt uit de gangbare betekenis van het
(scheld)woord ‘mafkees’ had het hof op zijn minst ofwel naar het opzet bij
verzoeker zelf onderzoek behoren te doen ofwel naar het karakter van dat woord
een zodanig onderzoek moeten instellen dat daarvan de uitkomst zou zijn dat het
niet anders kan dan dat verzoeker op zijn minst de kwade kans bewust op de
koop toe heeft genomen dat het woord naar zijn aard beledigend is zodat er geen


5

, lievemoederen aan zou hebben geholpen het (voorwaardelijk) opzet te
ontkennen. Met andere woorden: het hof kon niet volstaan met enkel in de
ongunstige betekenis van het woord mafkees het bewijs van opzet op belediging
te zien.17. Uit de bewijsmiddelen kan dus ook het (voorwaardelijk) opzet om te
beledigen niet zonder meer voortvloeien.”


II Vragen over hoofdstuk 11

Bestudeer, voordat je de onderstaande vragen gaat beantwoorden, de kennisclip die
op Blackboard is geplaatst. Daarin wordt het beslismodel uitgelegd.

5. Een politierechter behandelt de strafzaak tegen Milo. Aan hem is
mishandeling (art. 300 lid 1 Sr) ten laste gelegd. Ter terechtzitting geeft de
officier van justitie aan dat een fout is gemaakt bij het opstellen van de
tenlastelegging. In plaats van mishandeling, had vernieling van een auto
(art. 350 Sr) ten laste gelegd moeten worden. Milo bekent de auto te hebben
vernield. De politierechter meent dat voldoende bewijs bestaat voor de
vernieling. Mag hij Milo veroordelen wegens vernieling?
Volgens de grondslagleer, die is neergelegd in art. 348 Sv jo art. 350 Sv, mag de
rechter alleen feiten bewezen verklaren die ten laste zijn gelegd. In dit geval heeft de
officier van justitie mishandeling ten laste gelegd, in plaats van vernieling. De rechter
mag dus alleen onderzoeken of hij mishandeling bewezen kan verklaren. Aangezien de
verdachte geen mishandeling heeft gepleegd, kan mishandeling niet worden bewezen,
wat betekent dat de rechter zal vrijspreken (art. 352 lid 1 Sv).

Conclusie: de politierechter mag Milo niet veroordelen wegens vernieling op grond van
art. 348 Sv jo 350 Sv.

Toelichting
- De officier van justitie kan voordat de rechter vrijspreekt vaak wel de vormfout
herstellen of ‘repareren’ door een nieuwe dagvaarding uit te vaardigen.
- ‘jo’ staat voor: juncto. Dit betekent ‘in samenhang met’ of ‘samen met’. Dat
betekent dat als er staat: ‘art. 1 jo art. 3’, dat art. 1 samen met art. 3 gezien
moet worden.


6. De rechtbank verklaart de officier van justitie in de strafzaak tegen Pavel
wegens belediging (art. 266 Sr) niet-ontvankelijk, omdat het slachtoffer
geen klacht heeft ingediend (art. 269 Sr). Simeon wordt ontslagen van alle
rechtsvervolging, omdat hij zich met succes op noodweer beroept. De
officier van justitie is het met beide beslissingen niet eens en wil Pavel en
Simeon nogmaals dagvaarden voor de rechtbank, ter zake van precies
dezelfde feiten. Wat is juist?
a) Pavel en Simeon mogen beiden nogmaals worden gedagvaard.
b) Pavel mag nogmaals worden gedagvaard, Simeon niet.
c) Pavel mag niet nogmaals worden gedagvaard, Simeon wel.
d) Pavel noch Simeon mag nogmaals worden gedagvaard.




6

,Toelichting
- Op grond van de in art. 68 Sr gelegen ne bis in idem-regel kan een verdachte
niet twee keer worden vervolgd voor hetzelfde strafbaar feit. Dit geldt echter
alleen als de rechter de zaak reeds inhoudelijk heeft behandeld, oftewel als hij
alle formele vragen heeft doorlopen en hij is begonnen met het beoordelen van
de materiële vragen. Dat betekent dat als de einduitspraak is: niet-
ontvankelijkheid van de officier van justitie, art. 68 Sr niet opgaat en de
rechter de verdachte gewoon opnieuw kan vervolgen. Deze uitspraak is
namelijk een einduitspraak op de derde formele vraag van het
beslissingsschema. Als de einduitspraak is: ontslag van alle rechtsvervolging
(OVAR), dan is opnieuw vervolgen voor hetzelfde feit niet meer mogelijk. Deze
uitspraak is namelijk een einduitspraak op de derde materiële vraag van het
beslissingsschema.
- Voor sommige delicten zijn klachten vereist. Dit worden klachtdelicten
genoemd. Belediging is hiervan een voorbeeld.


7. Samira staat bij de Rechtbank Noord-Nederland terecht wegens diefstal van
een fiets (art. 310 Sr). De tenlastelegging luidt dat zij: ‘op of omstreeks 2 juli
2016 een fiets van het merk Gazelle, althans enig goed, heeft weggenomen,
toebehorend aan Velo BV, althans aan een ander dan verdachte’. Tijdens
het onderzoek ter terechtzitting komt vast te staan dat Samira de fiets niet
rond 2 juli 2016, maar in december 2015 heeft gestolen.
a) Welke vier fouten heeft de officier van justitie gemaakt bij het
opstellen van de tenlastelegging?
1. De datum waarop het delict vermoedelijk is gepleegd klopt niet.
2. In de tenlastelegging ontbreekt wederrechtelijkheid als bestanddeel.
3. De plaats waar het delict vermoedelijk is gepleegd ontbreekt.
4. De tenlastelegging bevat geen wettelijk voorschrift, te weten art. 310 Sr.

b) Welke einduitspraak moet de rechtbank doen?
De eerste formele vraag van het beslissingsschema is: “Is de dagvaarding geldig?”
Om geldig te zijn moet de dagvaarding voldoen aan:
- de betekenisvoorschriften (externe eisen); en
- de eisen van de tenlastelegging van art. 261 Sv (interne eisen).
De vijf onderdelen die een tenlastelegging moet bevatten zijn volgens art. 261 Sv:
- een feit: een feitelijke omschrijving van wat is voorgevallen dat is ingekaderd in
een duidelijk omschreven delictsomschrijving;
- een tijd: de datum en tijd van wanneer de verweten gedraging is begaan;
- een plaats: de plaats van waar de verweten gedraging is begaan;
- wettelijke voorschriften: de wettelijke artikelen van het ten laste gelegde feit;
- omstandigheden: een nadere concretisering van de feiten. (Dit is eigenlijk al
omvangen in het eerste vereiste en daarom overbodig.)
Aangezien de plaats, van waar de verweten gedraging is begaan, in de tenlastelegging
ontbreekt, is de dagvaarding nietig en moet de einduitspraak zijn: nietigheid van de
dagvaarding (art. 349 lid 1 Sv).

Toelichting
- De volgorde waarin de formele en materiële vragen in het beslismodel staan
moet worden aangehouden. Dat betekent dat eerst de vragen van art. 348 Sv


7

, doorlopen moeten worden, beginnend met de vraag naar de nietigheid van de
dagvaarding. Er blijkt dat een plaats ontbreekt. Daarmee is niet voldaan aan
een van de vereisten van art. 261 Sv en volgt nietigheid van de dagvaarding.
- Het ontbreken van een wettelijk voorschrift is geen fatale fout waaruit
nietigheid van de dagvaarding volgt.


8. Een verdachte staat terecht voor valsheid in geschrift (art. 225 lid 1 Sr) en
huisvredebreuk (art. 138 lid 1 Sr). Ter zake van beide feiten beroept hij zich
op een rechtvaardigingsgrond. De rechter honoreert deze verweren. Welke
einduitspraak moet de rechter doen ten aanzien van de valsheid in geschrift
en welke ten aanzien van de huisvredebreuk?
a) Ten aanzien van beide feiten vrijspraak
b) Ten aanzien van valsheid in geschrift vrijspraak; ten aanzien van
huisvredebreuk OVAR
c) Ten aanzien van valsheid in geschrift OVAR; ten aanzien van
huisvredebreuk vrijspraak
d) Ten aanzien van beide feiten OVAR

Toelichting
Rechtvaardigingsgronden hebben het gevolg dat een gedraging niet wederrechtelijk is.
Wederrechtelijkheid kan zich op twee manieren voordoen: als element of als
bestanddeel. Wederrechtelijkheid is een element als deze term niet voorkomt in de
wettelijke delictsomschrijving en een bestanddeel als deze term wel voorkomt in de
wettelijke delictsomschrijving. Als de wederrechtelijkheid een element is en deze
ontbreekt volgt de einduitspraak: ontslag van alle rechtsvervolging. Als de
wederrechtelijkheid een bestanddeel is en deze ontbreekt volgt de einduitspraak:
vrijspraak. In het laatste geval is namelijk niet aan alle bestanddelen van de wettelijke
delictsomschrijving voldaan, wat betekent dat het strafbare feit niet kan worden
gekwalificeerd! Verdachten van strafbare feiten die niet gekwalificeerd kunnen worden,
moeten worden vrijgesproken. In art. 225 lid 1 Sr komt de term wederrechtelijkheid niet
voor in de delictsomschrijving. Dat betekent dat het in dit artikel een element is, dit
element door een rechtvaardigingsgrond wordt weggenomen en dus ontslag van alle
rechtsvervolging moet volgen. In art. 138 lid 1 Sr komt de term wederrechtelijkheid
wel voor in de delictsomschrijving. Dat betekent dat het in dit artikel een bestanddeel
is, dit bestanddeel wordt weggenomen door een rechtvaardigingsgrond en dus
vrijspraak moet volgen.


9. Een verdachte staat bij de Amsterdamse rechtbank terecht wegens het
ontvoeren van een kind. De tenlastelegging luidt dat: ‘hij in of omstreeks de
maand juli 2013, te Amsterdam, opzettelijk Chantal van Blaricum van haar
vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden door haar plaats te laten nemen
in een auto en haar een uur later uit te laten stappen’ (art. 282 Sr). Tijdens
het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat dit feit zich niet in Amsterdam,
maar in Middelburg heeft afgespeeld. Welke einduitspraak moet de
rechtbank doen?
a) Nietigheid van de dagvaarding
b) Onbevoegdheid van de rechtbank
c) Vrijspraak


8

Gekoppeld boek

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
8 december 2016
Bestand laatst geupdate op
16 december 2016
Aantal pagina's
68
Geschreven in
2016/2017
Type
Antwoorden
Persoon
Onbekend

Onderwerpen

$5.97
Krijg toegang tot het volledige document:
Gekocht door 28 studenten

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF


Ook beschikbaar in voordeelbundel

Beoordelingen van geverifieerde kopers

7 van 20 beoordelingen worden weergegeven
8 jaar geleden

8 jaar geleden

8 jaar geleden

9 jaar geleden

8 jaar geleden

9 jaar geleden

9 jaar geleden

4.3

20 beoordelingen

5
9
4
7
3
4
2
0
1
0
Betrouwbare reviews op Stuvia

Alle beoordelingen zijn geschreven door echte Stuvia-gebruikers na geverifieerde aankopen.

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
Maximinimus Vrije Universiteit Amsterdam
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
675
Lid sinds
11 jaar
Aantal volgers
486
Documenten
14
Laatst verkocht
2 weken geleden

4.2

208 beoordelingen

5
85
4
85
3
30
2
5
1
3

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen