Opbouw van het organisme
Nucleolus: kernlichaam
Celkern of nucleus: drager van genetisch materiaal
Ribosomen: produceren eiwitten door aminozuren te schakelen
Vaculoe: met gevocht gevuld blaasje in de cel
Ruw endoplasmatisch reticulum: bedekt met ribosomen
Golgi-apparaat: Beslist welke eiwitten in de cel moeten blijven of er uit moeten.
Glad ER: vervoert eiwitten naar golgi-apparaat
Mitochondriën: energiecentrales > spiercellen en zaadcellen
Cytoplasma: stroperige vloeistof
Lysosoom: pleegt onderhoud aan de cel
Celmembraam: buitenkant van de cel
Chromosomen: dragers van de erfelijke eigenschappen
Deffierentiatie: cellen veranderen en specialiseren zich
Epitheel: dekweefsel
Contractief weefsel: weefsel dat kan samentrekken
Neuronen: zenuwcel
Gliacellen: ondersteunende cellen
Organen: een levend wezen dat een bepaalde taak heeft
Urinewegen: urineleiders, urineblaas en de urinebuis
Vitamine D: nodig boor botstofwisseling en spierwerking
Vegatieve stelsel: functies die onbewust plaatsvinden
De cel
Prokaryoten: cellen zonder celkern
Eukaryoten: cellen met een celkern
Nucleus: celkern
Cucleoli: kernlichaam
Replicatie: celdeling
Transcriptie: kopie wordt er gemaakt van een stukte DNA > mRNA
Enzymen: eiwitten die de omzetting van verschillende stoffen beïnvloed
DNA: genetisch materiaal van de menselijke cellen
Diploïd: cel met een complete set van chromosoomparen
Haploïd: cel die niet paren, maar de enkele vorm van de chromosomen bevat
Mitose: celdeling
Regeneratie: herstel
Difussie: verplaatsen van deeltjes/stoffen vn en plek met een hoge concentratie stof naar
een plek met een lage concentratie stof
Osmose: proces waarbij sprake is van difussie van water door een halfdoorlatende wand
Metabolisme: alle chemische processen in het lichaam
Enzymen: eiwitmoleculen die de snelheid of versnelling van de verschillende metabolische
processen in het lichaam verhogen
, De huid
Cutis: huid
Dermis: lederhuid
Epidermis: opperhuid
Stratum corneum: hoornlaag
Stratum lucidum: heldere laag
Stratum granulosum: korrelige laag
Stratum germinativum: ontkiemende laag
Stratum spinosum: stekelige laag
Stratum basale: kiemlaag
Pigmentatie: aanmaken van pigment
Melanocyten: pigmentcellen
Melanine: pigment
Vellushaar: donzige, dunne haar
Terminale haar: het dikke, lange en gepigmenteerde haar
Mammae: borsten
Grandula mammaria: melkklierweefsel
Papillae mammilae: tepels
Ductus lactifer: melkkanaal
Areola: tepelhof
Perspiratie of transpiratie: uitscheiden van zweet
Thermoregulatie: temperatuurregeling
Het skelet
Substantia compacta: harde of compacte btoweefsel
Sunstansia spongiosa: sponsachtig botweefsel
Periost: botvlies
Ligamenten: bindweefselbanden
Osteoblasten: opbouw van botten
Osteoclasten: afbraak van botten
Remodellering: afbraak en opbouw van botten
Ossificatie: ontstaan van het bot
Osteocyten: onderhouden de botmatrix, regelen hoeveelheid calcium in bloed
Diafyse: schacht
Epifyse: bredere uiteinden
Femur: dijbeen
Humerus: opperarmbeen
Vet: geel beenmerg
Cranium: schedel
Neurocranium: hersenschedel
Viscerocranium: aangezichtsschedel
Suturen: schedelnaden
Meningen: hersenvliezen
Os occipitale: achterhoofdsbeen
Foramen manum: achterhoofdsgat
Os frontale: voorhoofdsbeen
Os parietale: wandbeen