1=
2=
2. Shaw benoemd 5 groepskenmerken. Wat verstaan we onder motivatie?
A. Behoeften en discipline
B. Behoeften en belangen
C. Behoeften en tijd
3. De groep wordt steeds hechter. Dit is een voorbeeld van:
A. Groepsdruk
B. Conformiteit
C. Groepscohesie
D. Verbinding
4. Quasi-erkenning is:
A. Ouders geven het kind alleen erkenning als de buitenwereld mee kijkt.
B. Ouders doen alsof ze het kind erkenning geven, maar weten niet hoe ze dit moeten doen,
waardoor het kind helemaal geen erkenning krijgt.
C. Ouders doen alsof ze het kind erkenning geven, maar geven erkenning op eigenschappen die
het kind helemaal niet heeft, maar waarvan zij wel willen dat hij dat heeft.
5. Binnen het voetbalteam krijgt jan de rol van de aanvoerder, piet wordt de laatste man en kees
spits. Dit noemen we:
A. Invloed verdeling
B. Relatiepatronen
C. Taakstructuur
6. Wat is geen axioma van Watzlawick?
A. Interpuncties stemmen altijd overeen
B. Mensen communiceren zowel digital als analoog
C. Communicatie is symmetrisch of complementair