Biologie examenstof 2023
Domein B/ C – zelfregulatie en -organisatie
DNA bestaat uit 2 strengen van nucleotiden. Tussen die 2 strengen zitten basenbaren
(ACTG). Een basenpaar kan bestaan uit AT of CG, en zijn gebonden met H-bruggen. De 2
strengen van het DNA heten de coderende en de matrijs(/template) streng. RNA is
enkelstrengs en bevat U i.p.v. T. Er zijn 4 vormen RNA:
1. mRNA: messenger RNA, brengt genetische informatie van celkern naar ribosomen
2. tRNA: transfer-RNA, bindt het juiste aminozuur om naar ribosomen te brengen
3. iRNA: interference RNA, bindt/ interfeert met mRNA om translatie te blokkeren
4. cDNA: complementairy DNA, getranscribeerd uit viraal RNA door reverse transcriptase
Eiwitsynthese is het proces van DNA naar eiwit. Hierbij vinden er 3 stappen plaats:
1. Transcriptie door RNA-polymerase in de kern: de code van de templatestreng van het
DNA wordt afgelezen en er wordt pre-mRNA gemaakt door RNA-polymerase.
2. Splicing in de kern: de introns (niet-coderend) worden tussen de exons (wel-coderend)
uitgeknipt
3. Translatie door ribosomen op het rER of cytoplasma: het mRNA wordt vertaald naar
aminozuren die gekoppeld worden tot eiwitten. 3 nucleotiden, een codon of triplet,
coderen voor 1 aminozuur.
- Mutaties, zoals insertie of deletie, kunnen veel impact hebben op de gevormde eiwitten:
het reading frame verschuift. Een puntmutatie heeft minder effect.
- Stamcellen kunnen aan/ uit gezet worden door een operator die binden met een
activator of repressor. Een promotor bindt RNA-polymerase waardoor het gen wordt
overgeschreven.
Cellen zijn onder te verdelen in prokaryoten (bacteriën, etc zonder celkern) en eukaryoten
(planten, dieren en schimmels met celkern. Een cel bestaat uit:
- Celkern: regeling van cel processen, bevat DNA. Bacteriën hebben soms plasmiden:
stukjes circulair DNA die loslaten van hun chromosomaal DNA die makkelijk naar andere
cellen kunnen worden overgedragen. De celkern bevat een kernmembraan, bestaande
uit een dubbele laag fosfolipiden die een grens vormt tussen de inhoud van de celkern
en de rest van de cel. Door kernporiën kunnen eiwitten, RNA, etc. de celkern uit
- Vacuole: blaasje gevuld met vocht in het cytoplasma
- Cytoplasma: grondplasma + organellen
- Cyto- of celskelet: netwerk van fibers en buisjes dat de cel stevigheid, vorm en
beweeglijkheid geeft. Bestaat uit eiwitten
- Organellen: compartimenten waarin deelprocessen worden uitgevoerd
o Mitochondriën: energieproductie in de vorm van ATP
o Ribosomen: eiwitsynthese
o ER: verblijf ribosomen + transport van eiwitten
o Golgisysteem: aanpassen en opslag eiwitten + vorming transportblaasjes
o Lysomen: afbraak afvalstoffen
o Kernlichaampjes: wordt RNA gemaakt, betrokken maken ribosomen
o Plastiden: groep organellen, chloroplast of bladgroenkorrel, zijn nodig voor
fotosynthese
,Het celmembraan is er voor bescherming, regeling en transport. Het bestaat uit 2 lagen
fosfolipiden met een hydrofiele kop en hydrofobe staart. Het is een selectief permeabel
membraan. Er zijn 2 vormen van transport:
1. Actief transport: kost energie (ATP)
o Door transporteiwitten
o Endocytose: opnemen van stoffen door vorming van blaasjes
o Exocytose: uitscheiden van stoffen door blaasjes te laten samensmelten met
membraan
2. Passief transport: kost geen energie, met concentratierichting mee
o Diffussie: verplaatsing van deeltjes van hoge naar lage concentratie
o Osmose: verplaatsing van water door semipermeabel membraan, van lage naar hoge
osmotische waarde
Binnen de cel worden voedings- en bouwstoffen tussen de celorganellen getransporteerd:
- Cytoplasmastroming: passief transport waarbij stoffen door de cel heen diffunderen
- Met het cytoskelet: actief transport waarbij stoffen aan motoreiwitten worden
gekoppeld, die over het cytoskelet ‘lopen’
Een plantencel heeft een celwand en plastiden:
- Chloroplasten: bladgroenkorrels (fotosynthese)
- Chromoplasten: kleurstofkorrels, geven de plant kleur
- Amyloplasten: zetmeelkorrels voor opslag van gemaakte suikers
- Vacuole: opslag van water en voedingsstoffen, turgor (druk op de celwand) en
plasmolyse (als het celmembraan loslaat van de celwand door krimpen van de vacuole)
Hypertonisch: osmotische waarde hoger buiten de cel dan binnen de cel, vacuole loopt leeg
Hypotonisch: osmotische waarde buiten de cel lager dan binnen de cel, vacuole stroomt vol
Isotonisch: osmotische waarde binnen en buiten de cel gelijk, volume vacuole blijft gelijk
Assimilatie is een verzamelnaam voor alle opbouwreacties. Fotosynthese is een vorm van
assimilatie (licht- en donkerreactie in BiNaS)
- Voortgezette assimilatie: glucose wordt gebruikt om grotere organische verbindingen te
maken
Dissimilatie is het afbreken van stoffen afkomstig van assimilatie om energie te verkrijgen
- Aerobe dissimilatie gebeurt in de aanwezigheid van zuurstof
- Anaerobe dissimilatie gebeurt zonder zuurstof, en levert minder (2) ATP op per
glucosemolecuul
Een groot deel van het transport (O2, CO2, voedingsstoffen, afvalstoffen, hormonen) gaat via
bloed. Andere functies zijn afweer tegen infecties, stollen en warmteverspreiding. Bloed
bestaat uit:
1. Bloedcellen en -plaatjes, gevormd in het beenmerg
o Rode bloedcellen: transport zuurstof en CO2 door hemoglobine
o Bloedblaadjes: bloedstolling
o Witte bloedcellen: bescherming en immuniteit
2. Bloedplasma: water (92%) + opgeloste stoffen (7%)
,Er zijn 3 verschillende soorten bloedvaten:
1. Slagaders: dikke gespierde wand, bloed stroomt weg van het hart naar de organen via
slagaderen en is (behalve de longslagader) zuurstofrijk. Hoge bloeddruk
2. Aders: dunne wand met kleppen, bloed stroomt van organen terug naar het hart via
aders en is (behalve de longader) zuurstofarm. Lage bloeddruk
3. Haarvaten: zorgen voor uitwisseling van afval-/ voedingsstoffen in organen, hebben een
hele dunne wand en een groot oppervlakte door alle kleine vertakkingen
De kleine bloedsomloop zorgt voor het zuurstofrijk maken van het bloed: rechterkamer –>
longslagader –> longen –> longader –> linkerboezem
De grote bloedsomloop zorgt voor de voorziening van de rest van het lichaam: linkerkamer
–> aorta –> organen en weefsels –> holle ader –> rechterboezem
Het foramen ovale (opening tussen de boezems om bloeddruk te verlagen), ductus botalli
(opening tussen de longslagader en aorta om bloeddruk te verlagen), navelstrengader (van
placenta naar onderste holle ader om O2 te vervoeren) en de navelstrengslagader (van
aorta naar placenta om O2-gemengd en afvalstofrijk bloed te vervoeren) zijn alleen voor de
geboorte aanwezig.
Het hart doorloopt 3 fases om bloed rond te pompen:
1. Boezemsystole, kamerdiastole: de boezem loopt vol met bloed en de boezem trekt
samen waardoor de hartkleppen opengaan. Het bloed stroomt de kamer in en de
hartkleppen gaan weer dicht
2. Kamersystole, boezemdiastole: de kamers trekken samen en de halvemaanvormige
kleppen naar de aorta en longslagader gaan open. Het bloed stroomt de slagaders is en
de halvemaanvormige kleppen gaan weer dicht.
3. Diastole (hartpauze): het bloed stroomt het hart in vanuit de holle ader
Wanneer bloedplasma door de wand van haarvaten wordt geperst noem je het
weefselvloeistof, dit stroomt door weefsels onder invloed van de bloeddruk
- Voedingsstoffen worden afgegeven en afvalstoffen worden opgenomen
- Het grootste deel van de weefselvloeistof stroomt terug de haarvaten in door colloïd
osmotische druk –> vanwege het osmolariteitsverschil wordt vloeistof aangetrokken
naar het bloed
- De rest van de weefselvloeistof wordt opgenomen door lymfevaten en noem je dan
lymfe, en komt via een omweg weer in de bloedbaan terecht
Bij planten vindt transport via hout- en bastvaten plaats:
- Houtvaten: transport omhoog van water (passief) en mineralen (actief)
- Bastvaten: transport naar beneden van assimilatieproducten
Bij mensen vindt gaswisseling plaats in de longen, bij planten in de huidmondjes. Dit hangt
af van de wet van Fick (in BiNaS).
De hoeveelheid O2 die bindt aan Hb is afhankelijk van de hoeveelheid O2 in de omgeving
(pO2) en de PH-waarde van het bloed. De curve hiervan staat in BiNaS
, Ademhaling gebeurt door een in- en uitademing:
- Inademing zorgt voor een grotere longinhoud waardoor er onderdruk ontstaat en lucht
naar binnen stroomt
o Buikademhaling: middenrif trekt samen en gaat omlaag
o Borstademhaling: buitenste tussenribspieren trekken samen en de borstkas gaat
omhoog
- Uitademing zorgt voor een kleinere longinhoud waardoor er overdruk ontstaat en lucht
naar buiten stroomt
o Middenrif ontspant waardoor het middenrif omhoog wordt gedrukt door buikorganen
o Binnenste tussenribspieren ontspannen en ribben zakken omlaag door zwaartekracht
Ademhaling kan onbewust (door het
ademcentrum in de hersenstam) of bewust
(door de grote hersenen) verlopen
Vertering is het omzetten van macromoleculen
in verteringsproducten door
verteringsenzymen.
De lever heeft een aantal verschillende
functies:
- Opslag van glycogeen
- Productie van gal
- Emulgeren van vetten
- Afbraak oude rode bloedcellen (bilirubine komt vrij)
- Omvormen van aminozuren
- Vorming ureum
- Afbraak giftige stoffen
De nieren hebben ook een aantal verschillende functies:
- Handhaven van een constant intern milieu door uitscheiden meer/ minder water,
uitscheiden van meer of minder ionen, verwijderen van afvalstoffen en excretie van
hormonen
Het verwijderen van afvalstoffen in de nieren gaat via een aantal stappen:
1. Ultrafiltratie in het kapsel van Bowman: door een hoge bloeddruk in de glomerulus
wordt vrijwel al het water met afvalstoffen uit het bloed geperst. Alleen grote moleculen
blijven achter en er wordt voorurine gevormd
2. Terugresorptie in het nierkanaaltje: nuttige stoffen worden weer terug opgenomen in
het bloed door een combinatie van actief en passief transport. Wat overblijft is urine
3. De urine wordt via de urineleiders naar de urineblaas vervoerd waar het uit het lichaam
wordt verwijderd
Homeostase is het constant houden van allerlei waarden in het lichaam door samenwerking
tussen zintuigen, zenuwstelsel, spieren en hormonen
Domein B/ C – zelfregulatie en -organisatie
DNA bestaat uit 2 strengen van nucleotiden. Tussen die 2 strengen zitten basenbaren
(ACTG). Een basenpaar kan bestaan uit AT of CG, en zijn gebonden met H-bruggen. De 2
strengen van het DNA heten de coderende en de matrijs(/template) streng. RNA is
enkelstrengs en bevat U i.p.v. T. Er zijn 4 vormen RNA:
1. mRNA: messenger RNA, brengt genetische informatie van celkern naar ribosomen
2. tRNA: transfer-RNA, bindt het juiste aminozuur om naar ribosomen te brengen
3. iRNA: interference RNA, bindt/ interfeert met mRNA om translatie te blokkeren
4. cDNA: complementairy DNA, getranscribeerd uit viraal RNA door reverse transcriptase
Eiwitsynthese is het proces van DNA naar eiwit. Hierbij vinden er 3 stappen plaats:
1. Transcriptie door RNA-polymerase in de kern: de code van de templatestreng van het
DNA wordt afgelezen en er wordt pre-mRNA gemaakt door RNA-polymerase.
2. Splicing in de kern: de introns (niet-coderend) worden tussen de exons (wel-coderend)
uitgeknipt
3. Translatie door ribosomen op het rER of cytoplasma: het mRNA wordt vertaald naar
aminozuren die gekoppeld worden tot eiwitten. 3 nucleotiden, een codon of triplet,
coderen voor 1 aminozuur.
- Mutaties, zoals insertie of deletie, kunnen veel impact hebben op de gevormde eiwitten:
het reading frame verschuift. Een puntmutatie heeft minder effect.
- Stamcellen kunnen aan/ uit gezet worden door een operator die binden met een
activator of repressor. Een promotor bindt RNA-polymerase waardoor het gen wordt
overgeschreven.
Cellen zijn onder te verdelen in prokaryoten (bacteriën, etc zonder celkern) en eukaryoten
(planten, dieren en schimmels met celkern. Een cel bestaat uit:
- Celkern: regeling van cel processen, bevat DNA. Bacteriën hebben soms plasmiden:
stukjes circulair DNA die loslaten van hun chromosomaal DNA die makkelijk naar andere
cellen kunnen worden overgedragen. De celkern bevat een kernmembraan, bestaande
uit een dubbele laag fosfolipiden die een grens vormt tussen de inhoud van de celkern
en de rest van de cel. Door kernporiën kunnen eiwitten, RNA, etc. de celkern uit
- Vacuole: blaasje gevuld met vocht in het cytoplasma
- Cytoplasma: grondplasma + organellen
- Cyto- of celskelet: netwerk van fibers en buisjes dat de cel stevigheid, vorm en
beweeglijkheid geeft. Bestaat uit eiwitten
- Organellen: compartimenten waarin deelprocessen worden uitgevoerd
o Mitochondriën: energieproductie in de vorm van ATP
o Ribosomen: eiwitsynthese
o ER: verblijf ribosomen + transport van eiwitten
o Golgisysteem: aanpassen en opslag eiwitten + vorming transportblaasjes
o Lysomen: afbraak afvalstoffen
o Kernlichaampjes: wordt RNA gemaakt, betrokken maken ribosomen
o Plastiden: groep organellen, chloroplast of bladgroenkorrel, zijn nodig voor
fotosynthese
,Het celmembraan is er voor bescherming, regeling en transport. Het bestaat uit 2 lagen
fosfolipiden met een hydrofiele kop en hydrofobe staart. Het is een selectief permeabel
membraan. Er zijn 2 vormen van transport:
1. Actief transport: kost energie (ATP)
o Door transporteiwitten
o Endocytose: opnemen van stoffen door vorming van blaasjes
o Exocytose: uitscheiden van stoffen door blaasjes te laten samensmelten met
membraan
2. Passief transport: kost geen energie, met concentratierichting mee
o Diffussie: verplaatsing van deeltjes van hoge naar lage concentratie
o Osmose: verplaatsing van water door semipermeabel membraan, van lage naar hoge
osmotische waarde
Binnen de cel worden voedings- en bouwstoffen tussen de celorganellen getransporteerd:
- Cytoplasmastroming: passief transport waarbij stoffen door de cel heen diffunderen
- Met het cytoskelet: actief transport waarbij stoffen aan motoreiwitten worden
gekoppeld, die over het cytoskelet ‘lopen’
Een plantencel heeft een celwand en plastiden:
- Chloroplasten: bladgroenkorrels (fotosynthese)
- Chromoplasten: kleurstofkorrels, geven de plant kleur
- Amyloplasten: zetmeelkorrels voor opslag van gemaakte suikers
- Vacuole: opslag van water en voedingsstoffen, turgor (druk op de celwand) en
plasmolyse (als het celmembraan loslaat van de celwand door krimpen van de vacuole)
Hypertonisch: osmotische waarde hoger buiten de cel dan binnen de cel, vacuole loopt leeg
Hypotonisch: osmotische waarde buiten de cel lager dan binnen de cel, vacuole stroomt vol
Isotonisch: osmotische waarde binnen en buiten de cel gelijk, volume vacuole blijft gelijk
Assimilatie is een verzamelnaam voor alle opbouwreacties. Fotosynthese is een vorm van
assimilatie (licht- en donkerreactie in BiNaS)
- Voortgezette assimilatie: glucose wordt gebruikt om grotere organische verbindingen te
maken
Dissimilatie is het afbreken van stoffen afkomstig van assimilatie om energie te verkrijgen
- Aerobe dissimilatie gebeurt in de aanwezigheid van zuurstof
- Anaerobe dissimilatie gebeurt zonder zuurstof, en levert minder (2) ATP op per
glucosemolecuul
Een groot deel van het transport (O2, CO2, voedingsstoffen, afvalstoffen, hormonen) gaat via
bloed. Andere functies zijn afweer tegen infecties, stollen en warmteverspreiding. Bloed
bestaat uit:
1. Bloedcellen en -plaatjes, gevormd in het beenmerg
o Rode bloedcellen: transport zuurstof en CO2 door hemoglobine
o Bloedblaadjes: bloedstolling
o Witte bloedcellen: bescherming en immuniteit
2. Bloedplasma: water (92%) + opgeloste stoffen (7%)
,Er zijn 3 verschillende soorten bloedvaten:
1. Slagaders: dikke gespierde wand, bloed stroomt weg van het hart naar de organen via
slagaderen en is (behalve de longslagader) zuurstofrijk. Hoge bloeddruk
2. Aders: dunne wand met kleppen, bloed stroomt van organen terug naar het hart via
aders en is (behalve de longader) zuurstofarm. Lage bloeddruk
3. Haarvaten: zorgen voor uitwisseling van afval-/ voedingsstoffen in organen, hebben een
hele dunne wand en een groot oppervlakte door alle kleine vertakkingen
De kleine bloedsomloop zorgt voor het zuurstofrijk maken van het bloed: rechterkamer –>
longslagader –> longen –> longader –> linkerboezem
De grote bloedsomloop zorgt voor de voorziening van de rest van het lichaam: linkerkamer
–> aorta –> organen en weefsels –> holle ader –> rechterboezem
Het foramen ovale (opening tussen de boezems om bloeddruk te verlagen), ductus botalli
(opening tussen de longslagader en aorta om bloeddruk te verlagen), navelstrengader (van
placenta naar onderste holle ader om O2 te vervoeren) en de navelstrengslagader (van
aorta naar placenta om O2-gemengd en afvalstofrijk bloed te vervoeren) zijn alleen voor de
geboorte aanwezig.
Het hart doorloopt 3 fases om bloed rond te pompen:
1. Boezemsystole, kamerdiastole: de boezem loopt vol met bloed en de boezem trekt
samen waardoor de hartkleppen opengaan. Het bloed stroomt de kamer in en de
hartkleppen gaan weer dicht
2. Kamersystole, boezemdiastole: de kamers trekken samen en de halvemaanvormige
kleppen naar de aorta en longslagader gaan open. Het bloed stroomt de slagaders is en
de halvemaanvormige kleppen gaan weer dicht.
3. Diastole (hartpauze): het bloed stroomt het hart in vanuit de holle ader
Wanneer bloedplasma door de wand van haarvaten wordt geperst noem je het
weefselvloeistof, dit stroomt door weefsels onder invloed van de bloeddruk
- Voedingsstoffen worden afgegeven en afvalstoffen worden opgenomen
- Het grootste deel van de weefselvloeistof stroomt terug de haarvaten in door colloïd
osmotische druk –> vanwege het osmolariteitsverschil wordt vloeistof aangetrokken
naar het bloed
- De rest van de weefselvloeistof wordt opgenomen door lymfevaten en noem je dan
lymfe, en komt via een omweg weer in de bloedbaan terecht
Bij planten vindt transport via hout- en bastvaten plaats:
- Houtvaten: transport omhoog van water (passief) en mineralen (actief)
- Bastvaten: transport naar beneden van assimilatieproducten
Bij mensen vindt gaswisseling plaats in de longen, bij planten in de huidmondjes. Dit hangt
af van de wet van Fick (in BiNaS).
De hoeveelheid O2 die bindt aan Hb is afhankelijk van de hoeveelheid O2 in de omgeving
(pO2) en de PH-waarde van het bloed. De curve hiervan staat in BiNaS
, Ademhaling gebeurt door een in- en uitademing:
- Inademing zorgt voor een grotere longinhoud waardoor er onderdruk ontstaat en lucht
naar binnen stroomt
o Buikademhaling: middenrif trekt samen en gaat omlaag
o Borstademhaling: buitenste tussenribspieren trekken samen en de borstkas gaat
omhoog
- Uitademing zorgt voor een kleinere longinhoud waardoor er overdruk ontstaat en lucht
naar buiten stroomt
o Middenrif ontspant waardoor het middenrif omhoog wordt gedrukt door buikorganen
o Binnenste tussenribspieren ontspannen en ribben zakken omlaag door zwaartekracht
Ademhaling kan onbewust (door het
ademcentrum in de hersenstam) of bewust
(door de grote hersenen) verlopen
Vertering is het omzetten van macromoleculen
in verteringsproducten door
verteringsenzymen.
De lever heeft een aantal verschillende
functies:
- Opslag van glycogeen
- Productie van gal
- Emulgeren van vetten
- Afbraak oude rode bloedcellen (bilirubine komt vrij)
- Omvormen van aminozuren
- Vorming ureum
- Afbraak giftige stoffen
De nieren hebben ook een aantal verschillende functies:
- Handhaven van een constant intern milieu door uitscheiden meer/ minder water,
uitscheiden van meer of minder ionen, verwijderen van afvalstoffen en excretie van
hormonen
Het verwijderen van afvalstoffen in de nieren gaat via een aantal stappen:
1. Ultrafiltratie in het kapsel van Bowman: door een hoge bloeddruk in de glomerulus
wordt vrijwel al het water met afvalstoffen uit het bloed geperst. Alleen grote moleculen
blijven achter en er wordt voorurine gevormd
2. Terugresorptie in het nierkanaaltje: nuttige stoffen worden weer terug opgenomen in
het bloed door een combinatie van actief en passief transport. Wat overblijft is urine
3. De urine wordt via de urineleiders naar de urineblaas vervoerd waar het uit het lichaam
wordt verwijderd
Homeostase is het constant houden van allerlei waarden in het lichaam door samenwerking
tussen zintuigen, zenuwstelsel, spieren en hormonen