Aardrijkskunde examenstof 2023
Domein B - wereld
Centrumlanden Semiperiferie Periferie
Economisch kerngebied Gemiddeld ontwikkeld Economisch afhankelijk van centrum en semiperiferie
Kennisintensieve economie Industriële economie Veel land- en mijnbouw
Machtscentra Toenemende invloed Weinig (wereldwijde) invloed
Veel hoofdkantoren Vooral assemblage Leverancier van grondstoffen
Ontdekkingsreizen –> contact buiten eigen regio –> kolonialisme
- Handelskolonialisme: grondstoffen gebruikt voor handel
- Exploitatiekolonialisme: door industriële revolutie is er een groeiende vraag naar
grondstoffen –> op grote schaal uitvoeren van grondstoffen voor het industriële proces
in het moederland
- Vestigingskolonialisme: migratiegebieden
Imperialisme: zucht naar controle over een zo groot en machtig mogelijk rijk.
hegemoniale staten zijn de meest dominante landen in het wereldsysteem
In de 19e eeuw worden Latijns-Amerikaanse landen zelfstandig. Na WOII ook Azië en Afrika
- Neokolonisatie: voormalige koloniën onafhankelijk, maar nog wel afhankelijk van de
centrumlande –> MNO’s hebben de rol van moederlanden overgenomen
Internationale arbeidsverdeling: centrumgebieden halen grondstoffen uit de periferie, die
moeten nog steeds geavanceerde producten uit het rijke westen importeren
- Ruilvoetverslechtering: importprijzen stijgen sneller dan exportprijzen
- Triade: West-Europa, VS en Japan
Protectiemaatregelen: EU beschermt eigen markt door te zorgen dat Europese producten
goedkoop op andere markten verkocht kunnen worden maar niet andersom
- Importheffingen: belasting op ingevoerde producten
- Importquota: er mag maar bepaalde hoeveelheid van een product ingevoerd worden
- Exportsubsidies: bedrijven krijgen geld om het product goedkoop in het buitenland te
verkopen
Door blokvorming worden potentiële afzetmarkten geblokkeerd. De WTO wil de
wereldeconomie liberaliseren door: protectiemaatregelen af te schaffen, vrij kapitaalverkeer
en vrij personenverkeer te stimuleren (niet alleen binnen EU)
NIC’s laten zien dat ontsnappen uit de periferie mogelijk is –> door uitschuiving zijn deze
landen opgeschoven naar semi-periferie (soms bijna centrumlanden). Hierdoor is er een
nieuwe internationale arbeidsverdeling:
Centrum Dienstensector
Semiperiferie Industriesector
Periferie Landbouw + leverancier grondstoffen
,Global shift: het economisch zwaartepunt verschuift steeds meer richting de Pacific rim
(China enz.)
De BRICS-landen in de semiperiferie groeien enorm snel door goedkope arbeid en grote
afzetmarkt in eigen land –> er is een multipolaire wereld ontstaan (er zijn meerdere
machtscentra)
Productieketens: ontwerp, assemblage en verkoop gebeurt niet meer in 1 land
- Offshoring: delen van het productieproces in andere landen laten doen
- Reshoring: uitgeschoven delen van het productieproces terughalen (kwaliteit, te hogen
lonen, taal/ cultuur barrières)
Het verspreiden van productieketens kan door tijd-ruimtecompressie: de absolute afstand
blijft gelijk maar de relatieve afstand wordt steeds kleiner (door ontwikkelingen in
transporttechnologie en informatie- en communicatietechnologie)
- Afstandsverval: de intensiteit van een verschijnsel neemt af naarmate de afstand groter
wordt –> tijd-ruimtecompressie zorgt voor minder afstandsverval
Hub-en-spoke netwerken: verschillende knooppunten (hubs: Schiphol, Utrecht centraal) met
verbindingen tussen de hubs (spokes)
Clusters: bedrijven/ kennisinstituten kiezen ervoor om zich dicht bij elkaar te vestigen zodat
ze voordelen hebben van elkaar
De diffusie van culturen neemt toe door globalisering –> verwestering en amerikanisering
Globalisering zorgt ook voor tegenreacties: anders-globalisten pleiten voor lokalisering
omdat:
- Verlies regionale identiteiten, verlies eigen cultuur, slechte vertegenwoordiging perifere
landen, gevolgen milieu, toename ongelijkheid
Ook ruimtelijke afwenteling krijgt veel kritiek: (semi-)perifere landen worden vaak gebruikt
voor de vervuilende activiteiten van centrumlanden omdat daar de regels minder streng
zijn/ minder goed wordt gecontroleerd
Spreadeffecten: positieve effecten voor andere gebieden door de ontwikkeling van een
gebied (werkgelegenheid in andere regio’s, bedrijven vestigen zich ook in andere regio’s)
Backwasheffecten: negatieve effecten voor andere gebieden door de ontwikkeling van een
gebied (bedrijven willen zich alleen in dat gebied vestigen, brain drain)
- Backwasheffecten wegen vaak zwaarder dan spreadeffecten –> cumulatieve causatie:
het centrum ontwikkelt zich ten koste van de periferie (zorgt voor meer regionale
ongelijkheid)
Fragmentarische modernisering: bepaalde sectoren moderniseren sterk en andere blijven
achter –> fast en slow world
, Sociale ongelijkheid: (welvaart)verschillen tussen groepen mensen
- Lorenzcurve & Gini-coëfficiënt
De bevolking van een land kan door 2 oorzaken ontwikkelen:
1. Natuurlijke ontwikkeling (geboorte- of sterfteoverschot)
2. Sociale ontwikkeling (positief of negatief migratiesaldo)
Demografische druk: verhouding tussen productieve (15-65 jaar) en niet-productieve (<15,
>65 jaar) bevolking
- Groene druk/ grijze druk (vergrijzing)
Demografisch transitiemodel:
Fase 1: hoog geboorte- en sterftecijfer, hoge
kindersterfte, hoge vruchtbaarheid, groene druk
– perifeer land (niet meer van toepassing)
Fase 2: hoog geboortecijfer, lager sterftecijfer,
groene druk – perifeer land
Fase 3: geboortecijfer daalt, sterftecijfer daalt,
weinig demografische druk – semi perifeer land
Fase 4: laag geboorte- en sterftecijfer, grijze druk
– centrumland
Fase 5: laag geboorte- en sterftecijfer, vergrijzing
door babyboomgeneratie, bevolking neemt af – centrumland
Pushfactoren: redenen om te vertrekken uit een land (oorlog, geen werk, etc.)
Pullfactoren: redenen oom ergens naartoe te gaan (werk, etc.)
- Arbeidsmigratie, klimaatvluchtelingen, politieke vluchtelingen
Urbanisatie (verstedelijking): uitbreiding van stedelijke gebieden door trek naar de stad
- Ruraal-urbane migratie: van platteland naar stad
- Urbanisatiegraad: percentage mensen dat in stedelijk gebied woont
- Urbanisatietempo: snelheid waarmee mensen naar de stad trekken
Megastad: meer dan 10 miljoen inwoners, vaak in ontwikkelingslanden
Wereldstad/ metropool: belangrijk in wereldsysteem –> veel internationale dienstverlening
- Stedelijk netwerk: sterk verstedelijkt gebied waarin de verschillende steden elk een eigen
functie vervullen en onderling verbonden zijn (randstad)
- Megalopolis: stedelijk netwerk van metropolen
- Stedelijke geleiding: de ruimtelijke opbouw van een stad in van elkaar te onderscheiden
deelgebieden
In Amerika: industrie en klimaat bepaalden de liggen van grootstedelijke gebieden
- New York (economische wereldstad): mainport regio, belangrijk onderdeel hub-en-spoke
- Washington (politieke wereldstad): Witte huis, Pentagon
- Los Angeles (culturele wereldstad): Hollywood, economisch cluster creatieve industrie
Domein B - wereld
Centrumlanden Semiperiferie Periferie
Economisch kerngebied Gemiddeld ontwikkeld Economisch afhankelijk van centrum en semiperiferie
Kennisintensieve economie Industriële economie Veel land- en mijnbouw
Machtscentra Toenemende invloed Weinig (wereldwijde) invloed
Veel hoofdkantoren Vooral assemblage Leverancier van grondstoffen
Ontdekkingsreizen –> contact buiten eigen regio –> kolonialisme
- Handelskolonialisme: grondstoffen gebruikt voor handel
- Exploitatiekolonialisme: door industriële revolutie is er een groeiende vraag naar
grondstoffen –> op grote schaal uitvoeren van grondstoffen voor het industriële proces
in het moederland
- Vestigingskolonialisme: migratiegebieden
Imperialisme: zucht naar controle over een zo groot en machtig mogelijk rijk.
hegemoniale staten zijn de meest dominante landen in het wereldsysteem
In de 19e eeuw worden Latijns-Amerikaanse landen zelfstandig. Na WOII ook Azië en Afrika
- Neokolonisatie: voormalige koloniën onafhankelijk, maar nog wel afhankelijk van de
centrumlande –> MNO’s hebben de rol van moederlanden overgenomen
Internationale arbeidsverdeling: centrumgebieden halen grondstoffen uit de periferie, die
moeten nog steeds geavanceerde producten uit het rijke westen importeren
- Ruilvoetverslechtering: importprijzen stijgen sneller dan exportprijzen
- Triade: West-Europa, VS en Japan
Protectiemaatregelen: EU beschermt eigen markt door te zorgen dat Europese producten
goedkoop op andere markten verkocht kunnen worden maar niet andersom
- Importheffingen: belasting op ingevoerde producten
- Importquota: er mag maar bepaalde hoeveelheid van een product ingevoerd worden
- Exportsubsidies: bedrijven krijgen geld om het product goedkoop in het buitenland te
verkopen
Door blokvorming worden potentiële afzetmarkten geblokkeerd. De WTO wil de
wereldeconomie liberaliseren door: protectiemaatregelen af te schaffen, vrij kapitaalverkeer
en vrij personenverkeer te stimuleren (niet alleen binnen EU)
NIC’s laten zien dat ontsnappen uit de periferie mogelijk is –> door uitschuiving zijn deze
landen opgeschoven naar semi-periferie (soms bijna centrumlanden). Hierdoor is er een
nieuwe internationale arbeidsverdeling:
Centrum Dienstensector
Semiperiferie Industriesector
Periferie Landbouw + leverancier grondstoffen
,Global shift: het economisch zwaartepunt verschuift steeds meer richting de Pacific rim
(China enz.)
De BRICS-landen in de semiperiferie groeien enorm snel door goedkope arbeid en grote
afzetmarkt in eigen land –> er is een multipolaire wereld ontstaan (er zijn meerdere
machtscentra)
Productieketens: ontwerp, assemblage en verkoop gebeurt niet meer in 1 land
- Offshoring: delen van het productieproces in andere landen laten doen
- Reshoring: uitgeschoven delen van het productieproces terughalen (kwaliteit, te hogen
lonen, taal/ cultuur barrières)
Het verspreiden van productieketens kan door tijd-ruimtecompressie: de absolute afstand
blijft gelijk maar de relatieve afstand wordt steeds kleiner (door ontwikkelingen in
transporttechnologie en informatie- en communicatietechnologie)
- Afstandsverval: de intensiteit van een verschijnsel neemt af naarmate de afstand groter
wordt –> tijd-ruimtecompressie zorgt voor minder afstandsverval
Hub-en-spoke netwerken: verschillende knooppunten (hubs: Schiphol, Utrecht centraal) met
verbindingen tussen de hubs (spokes)
Clusters: bedrijven/ kennisinstituten kiezen ervoor om zich dicht bij elkaar te vestigen zodat
ze voordelen hebben van elkaar
De diffusie van culturen neemt toe door globalisering –> verwestering en amerikanisering
Globalisering zorgt ook voor tegenreacties: anders-globalisten pleiten voor lokalisering
omdat:
- Verlies regionale identiteiten, verlies eigen cultuur, slechte vertegenwoordiging perifere
landen, gevolgen milieu, toename ongelijkheid
Ook ruimtelijke afwenteling krijgt veel kritiek: (semi-)perifere landen worden vaak gebruikt
voor de vervuilende activiteiten van centrumlanden omdat daar de regels minder streng
zijn/ minder goed wordt gecontroleerd
Spreadeffecten: positieve effecten voor andere gebieden door de ontwikkeling van een
gebied (werkgelegenheid in andere regio’s, bedrijven vestigen zich ook in andere regio’s)
Backwasheffecten: negatieve effecten voor andere gebieden door de ontwikkeling van een
gebied (bedrijven willen zich alleen in dat gebied vestigen, brain drain)
- Backwasheffecten wegen vaak zwaarder dan spreadeffecten –> cumulatieve causatie:
het centrum ontwikkelt zich ten koste van de periferie (zorgt voor meer regionale
ongelijkheid)
Fragmentarische modernisering: bepaalde sectoren moderniseren sterk en andere blijven
achter –> fast en slow world
, Sociale ongelijkheid: (welvaart)verschillen tussen groepen mensen
- Lorenzcurve & Gini-coëfficiënt
De bevolking van een land kan door 2 oorzaken ontwikkelen:
1. Natuurlijke ontwikkeling (geboorte- of sterfteoverschot)
2. Sociale ontwikkeling (positief of negatief migratiesaldo)
Demografische druk: verhouding tussen productieve (15-65 jaar) en niet-productieve (<15,
>65 jaar) bevolking
- Groene druk/ grijze druk (vergrijzing)
Demografisch transitiemodel:
Fase 1: hoog geboorte- en sterftecijfer, hoge
kindersterfte, hoge vruchtbaarheid, groene druk
– perifeer land (niet meer van toepassing)
Fase 2: hoog geboortecijfer, lager sterftecijfer,
groene druk – perifeer land
Fase 3: geboortecijfer daalt, sterftecijfer daalt,
weinig demografische druk – semi perifeer land
Fase 4: laag geboorte- en sterftecijfer, grijze druk
– centrumland
Fase 5: laag geboorte- en sterftecijfer, vergrijzing
door babyboomgeneratie, bevolking neemt af – centrumland
Pushfactoren: redenen om te vertrekken uit een land (oorlog, geen werk, etc.)
Pullfactoren: redenen oom ergens naartoe te gaan (werk, etc.)
- Arbeidsmigratie, klimaatvluchtelingen, politieke vluchtelingen
Urbanisatie (verstedelijking): uitbreiding van stedelijke gebieden door trek naar de stad
- Ruraal-urbane migratie: van platteland naar stad
- Urbanisatiegraad: percentage mensen dat in stedelijk gebied woont
- Urbanisatietempo: snelheid waarmee mensen naar de stad trekken
Megastad: meer dan 10 miljoen inwoners, vaak in ontwikkelingslanden
Wereldstad/ metropool: belangrijk in wereldsysteem –> veel internationale dienstverlening
- Stedelijk netwerk: sterk verstedelijkt gebied waarin de verschillende steden elk een eigen
functie vervullen en onderling verbonden zijn (randstad)
- Megalopolis: stedelijk netwerk van metropolen
- Stedelijke geleiding: de ruimtelijke opbouw van een stad in van elkaar te onderscheiden
deelgebieden
In Amerika: industrie en klimaat bepaalden de liggen van grootstedelijke gebieden
- New York (economische wereldstad): mainport regio, belangrijk onderdeel hub-en-spoke
- Washington (politieke wereldstad): Witte huis, Pentagon
- Los Angeles (culturele wereldstad): Hollywood, economisch cluster creatieve industrie