Evolutie & Biodiversiteit – 29 sep 2022 - Begrippen lijst
Natuurlijke selectie: het verschijnsel dat sommige organismen uit een populatie beter in hun omgeving passen
dus een grotere overlevingskans en kan ons overlevende nakomelingen heeft.
Convergente evolutie: de evolutie van dezelfde functie bij verschillende, niet-verwante taxonomische groepen.
Fitness: Het voortplantingssucces van een individu.
Absolute fitness (W): de bijdrage van een individu aan de genenpoel van de volgende generatie.
Relatieve fitness (w): De bijdrage van een individu aan de genenpoel van de volgende generatie, relatief ten
opzichte van de bijdrage van andere (van de meest succesvolle).
Seksuele selectie: Het verschijnsel dat het niet gaat om het overleven maar om wie zich het beste kan
voortplanten.
Intraseksuele selectie: Onderling vechten om de sterkste te zijn en zich dus het beste kunnen voortplanten.
Interseksuele selectie: Zorgen dat de vrouwtjes jou het meest aantrekkelijk vinden door ornamenten.
Seksuele dimorfisme: Verschil in uiterlijk tussen mannetjes en vrouwtjes omdat mannetjes vrouwen moeten
versieren.
Good genes hypothese: Hoe uitbundiger het ornament van het mannetje, hoe beter het mannetje en zijn
genen dus zijn.
Handicap hypothese: Het ornament is soms een handicap om mee te leven. Als hij dan nog overleefd is hij het
beste mannetje.
Sexy son hypothese: De dochters hebben voorkeur voor extreme eigenschap, die per generatie dus steeds
extremer wordt.
Sensory bias: mannetje heeft bepaalde eigenschap waardoor hij opvalt dus vinden vrouwtjes hem
aantrekkelijk.
Polygynie: Een man bevrucht meerdere vrouwtjes.
Polyandrie: Een vrouwtje paart met meerdere mannetjes.
Promiscue: Iedereen paart met iedereen.
Certainty of paternity: Hoe zekerder een vader is van het vaderschap, hoe meer zorg hij levert.
Gene flow: introductie en uitwisseling van allelen tussen populaties door migratie van individuen of gameten.
Genetische drift: Willekeurige verandering van allelfrequenties van generatie op generatie.
Bottleneck effect: Wanneer er reductie van de populatie is als gevolg van milieuramp, overmatige jacht of
founder effect.
Founder effect: Paar individuen beginnen een nieuwe kolonie waardoor er minder genetische variatie is.
Soortvorming: The origin of the species, als focus van de evolutietheorie.
Evolutietheorie: Richt zich op het uitleggen hoe populaties evolueren en hoe nieuwe soorten ontstaan.
Micro-evolutie: Bestaat uit veranderingen in allelfrequentie in een populatie in de loop van de tijd en
soortvorming.
Macro-evolutie: Verwijst naar brede patronen van evolutionaire verandering boven het soortniveau.
Reproductieve isolatie: Het bestaan van factoren die twee soorten ervan weerhouden om levensvatbare,
vruchtbare nakomelingen te produceren.
Het biologisch soortconcept: Groepen van daadwerkelijk of potentieel kruisende populaties, die levensvatbare,
vruchtbare nakomelingen produceren en die reproductief geïsoleerd zijn van individuen van andere populaties.
Het morfologisch soortconcept: Definieert een soort op structurele kenmerken.
Het ecologisch soortconcept: Onderscheid soorten op basis van hun ecologische niche.
Natuurlijke selectie: het verschijnsel dat sommige organismen uit een populatie beter in hun omgeving passen
dus een grotere overlevingskans en kan ons overlevende nakomelingen heeft.
Convergente evolutie: de evolutie van dezelfde functie bij verschillende, niet-verwante taxonomische groepen.
Fitness: Het voortplantingssucces van een individu.
Absolute fitness (W): de bijdrage van een individu aan de genenpoel van de volgende generatie.
Relatieve fitness (w): De bijdrage van een individu aan de genenpoel van de volgende generatie, relatief ten
opzichte van de bijdrage van andere (van de meest succesvolle).
Seksuele selectie: Het verschijnsel dat het niet gaat om het overleven maar om wie zich het beste kan
voortplanten.
Intraseksuele selectie: Onderling vechten om de sterkste te zijn en zich dus het beste kunnen voortplanten.
Interseksuele selectie: Zorgen dat de vrouwtjes jou het meest aantrekkelijk vinden door ornamenten.
Seksuele dimorfisme: Verschil in uiterlijk tussen mannetjes en vrouwtjes omdat mannetjes vrouwen moeten
versieren.
Good genes hypothese: Hoe uitbundiger het ornament van het mannetje, hoe beter het mannetje en zijn
genen dus zijn.
Handicap hypothese: Het ornament is soms een handicap om mee te leven. Als hij dan nog overleefd is hij het
beste mannetje.
Sexy son hypothese: De dochters hebben voorkeur voor extreme eigenschap, die per generatie dus steeds
extremer wordt.
Sensory bias: mannetje heeft bepaalde eigenschap waardoor hij opvalt dus vinden vrouwtjes hem
aantrekkelijk.
Polygynie: Een man bevrucht meerdere vrouwtjes.
Polyandrie: Een vrouwtje paart met meerdere mannetjes.
Promiscue: Iedereen paart met iedereen.
Certainty of paternity: Hoe zekerder een vader is van het vaderschap, hoe meer zorg hij levert.
Gene flow: introductie en uitwisseling van allelen tussen populaties door migratie van individuen of gameten.
Genetische drift: Willekeurige verandering van allelfrequenties van generatie op generatie.
Bottleneck effect: Wanneer er reductie van de populatie is als gevolg van milieuramp, overmatige jacht of
founder effect.
Founder effect: Paar individuen beginnen een nieuwe kolonie waardoor er minder genetische variatie is.
Soortvorming: The origin of the species, als focus van de evolutietheorie.
Evolutietheorie: Richt zich op het uitleggen hoe populaties evolueren en hoe nieuwe soorten ontstaan.
Micro-evolutie: Bestaat uit veranderingen in allelfrequentie in een populatie in de loop van de tijd en
soortvorming.
Macro-evolutie: Verwijst naar brede patronen van evolutionaire verandering boven het soortniveau.
Reproductieve isolatie: Het bestaan van factoren die twee soorten ervan weerhouden om levensvatbare,
vruchtbare nakomelingen te produceren.
Het biologisch soortconcept: Groepen van daadwerkelijk of potentieel kruisende populaties, die levensvatbare,
vruchtbare nakomelingen produceren en die reproductief geïsoleerd zijn van individuen van andere populaties.
Het morfologisch soortconcept: Definieert een soort op structurele kenmerken.
Het ecologisch soortconcept: Onderscheid soorten op basis van hun ecologische niche.