Grotere N is meer Power.
Grotere N is een kleiner betrouwbaarheidsinterval(CI) en de power neemt toe.
Categorische variabelen:
Geslacht, type opleiding, experimentele conditie, diagnose, sociale klasse enz.
Kwantitatieve variabelen:
Leeftijd, IQ scores, NEO-PI scores, tentamencijfers, scores op een depressievragenlijst enz.
Onderzoeksdesigns:
Probability Sampling* Random toewijzing ‘Actieve’ Manipulatie.
aan condities.
Experiment JA JA JA
Quasi-experiment JA NEE JA
Correlationeel JA NEE NEE
(niet-experimenteel)
Probability sampling: Simple random sampling, stratified sampling etc.
Pearson’s Correlatie Coëfficiënt:
- 𝜌 = correlatie in de populatie
- 𝑟 = correlatie in de steekproef
−1 ≤ 𝑟 ≤ 1, wanneer 𝑟 = 0 is er geen lineaire samenhang, maar er kan wel sprake zijn van een niet-
lineaire samenhang.
VB: Wanneer 𝑟=0,3 is de stippenwolk heel breed en verspreid.
Wanneer 𝑟=0,7 is de stippenwolk dunner en liggen de stippen dichter bij elkaar.
Wanneer 𝑟=0,95 is de stippenwolk extreem dun en liggen de stippen heel dicht bij elkaar.
Positief; De lijn loopt van links onder naar rechtsboven.
Wanneer 𝑟=-0,7 loopt de lijn van linksboven naar rechtsonder.
Toetsen van de correlatiecoëfficient:
Inferential statistics
1. H0: 𝜌 = 0 tegen H1: 𝜌 ≠ 0.
t-toets:
met df = 𝑁 – 2, uitleg: N is de steekproef dus N-2=df dus je moet NIET als N de
steekproef – 2 doen en dan nog een keer – 2!
SPSS geeft standaard de p-waarde (overschrijdingskans) van deze toets
2. H0: 𝜌 = 𝑐 tegen H1: 𝜌 ≠ 𝑐.
𝑐 is een getal tussen −1
en 1, maar niet 0
Met behulp van Fisher 𝑍-
transformaties & 𝑍-toets
Niet beschikbaar in SPSS
Grotere N is een kleiner betrouwbaarheidsinterval(CI) en de power neemt toe.
Categorische variabelen:
Geslacht, type opleiding, experimentele conditie, diagnose, sociale klasse enz.
Kwantitatieve variabelen:
Leeftijd, IQ scores, NEO-PI scores, tentamencijfers, scores op een depressievragenlijst enz.
Onderzoeksdesigns:
Probability Sampling* Random toewijzing ‘Actieve’ Manipulatie.
aan condities.
Experiment JA JA JA
Quasi-experiment JA NEE JA
Correlationeel JA NEE NEE
(niet-experimenteel)
Probability sampling: Simple random sampling, stratified sampling etc.
Pearson’s Correlatie Coëfficiënt:
- 𝜌 = correlatie in de populatie
- 𝑟 = correlatie in de steekproef
−1 ≤ 𝑟 ≤ 1, wanneer 𝑟 = 0 is er geen lineaire samenhang, maar er kan wel sprake zijn van een niet-
lineaire samenhang.
VB: Wanneer 𝑟=0,3 is de stippenwolk heel breed en verspreid.
Wanneer 𝑟=0,7 is de stippenwolk dunner en liggen de stippen dichter bij elkaar.
Wanneer 𝑟=0,95 is de stippenwolk extreem dun en liggen de stippen heel dicht bij elkaar.
Positief; De lijn loopt van links onder naar rechtsboven.
Wanneer 𝑟=-0,7 loopt de lijn van linksboven naar rechtsonder.
Toetsen van de correlatiecoëfficient:
Inferential statistics
1. H0: 𝜌 = 0 tegen H1: 𝜌 ≠ 0.
t-toets:
met df = 𝑁 – 2, uitleg: N is de steekproef dus N-2=df dus je moet NIET als N de
steekproef – 2 doen en dan nog een keer – 2!
SPSS geeft standaard de p-waarde (overschrijdingskans) van deze toets
2. H0: 𝜌 = 𝑐 tegen H1: 𝜌 ≠ 𝑐.
𝑐 is een getal tussen −1
en 1, maar niet 0
Met behulp van Fisher 𝑍-
transformaties & 𝑍-toets
Niet beschikbaar in SPSS