Literature Summary
Lecture 1
Hofmann & Smits (2008). Cognitive-behavioral therapy for adult anxiety disorders: a
meta-analysis of randomized placebo-controlled trials
Veel studies hebben onderzoek gedaan naar de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie
(CBT) voor volwassenen met angststoornissen. CBT refereert hier naar klasse van
interventies die gebaseerd zijn op de basis vooronderstelling dat emotionele stoornissen
blijven door cognitieve factoren en dat psychologische behandeling leidt tot veranderingen in
deze factoren. Dit door cognitieve herstructureringen en gedragsmatige technieken.
Een van de grootste beperkingen van meta-analyses (onderzoek waarin eerdere
onderzoeken naar een bepaald fenomeen worden samengenomen) heeft te maken met de
kwaliteit van de eerdere studies (randomisatie en controle condities).
Primair doel van dit onderzoek was om de acute effectiviteit van CBT vergeleken met
placebo condities voor volwassenen met angststoornissen te onderzoeken.
De uitkomsten laten zien dat de effecten significant groter waren voor acute stress
disorder dan voor andere angststoornissen, met uitzondering van OCD. CBT voor OCD was
zelfs meer effectief dan CBT voor paniekstoornissen. Dat gaat tegen de algemene notie in dat
OCD het meest behandelresistent zou zijn.
Er is daarnaast ook onderzoek gedaan naar de effecten van CBT bij depressie vanwege
de hoge comorbiditeit met angst. CBT had significant meer effect op depressie dan de placebo
conditie, maar alleen in PTSD en OCD. Deze bevindingen ondersteunen de specificiteit van
CBT voor de meeste angststoornissen.
Zwaktes van het huidige onderzoek zijn:
- Veel studies die hier onderzocht zijn hebben hun ITT data niet gerapporteerd.
- Meeste van de geselecteerde trials bevatten ook gecombineerde behandelcondities,
zoals een placebo pil in combinatie met CBT. Deze zijn dan ook niet
meegenomen.
- De specifieke invulling van de behandeling met CBT verschilt per stoornis, dus
deze verschillen kunnen ook bijgedragen hebben aan verschillen in effectiviteit
van behandeling.
Ondanks deze zwaktes blijkt er sterk bewijs te zijn voor de effectiviteit van CBT als acute
interventie voor volwassenen met een angststoornis. Er is echter nog ruimte voor oplossingen
in de vorm van farmaceutische interventies.
Hirshfeld-Becker, et al. (2008). High risk studies and developmental antecedents of
anxiety disorders.
Onderzoek wijst uit dat vroege symptomen van angst of angststoornissen een groter risico
vormen om later aan criteria van angststoornissen te voldoen. Er is zowel bewijs voor
homotypische continuïteit (voorspellen van zelfde stoornis) als heterotypische continuïteit
(voorspellen van andere stoornis). Het hebben van angststoornissen in de kindertijd, vooral
scheidingsangst, Generalized Anxiety Disorder of sociale en specifieke fobieën zorgt voor een
verhoogd risico op latere angststoornissen.