2015
tijdvak 1
woensdag 20 mei
13.30 - 16.30 uur
biologie
Achter het correctievoorschrift zijn twee aanvullingen op het correctievoorschrift
opgenomen.
Dit examen bestaat uit 37 vragen.
Voor dit examen zijn maximaal 66 punten te behalen.
Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten met een goed antwoord behaald
kunnen worden.
Als bij een open vraag een verklaring, uitleg of berekening vereist is, worden aan
het antwoord meestal geen punten toegekend als deze verklaring, uitleg of
berekening ontbreekt.
Geef niet meer antwoorden (redenen, voorbeelden e.d.) dan er worden gevraagd.
Als er bijvoorbeeld twee redenen worden gevraagd en je geeft meer dan twee
redenen, dan worden alleen de eerste twee in de beoordeling meegeteld.
VW-1018-a-15-1-o
, Tenzij anders vermeld, is er sprake van normale situaties en gezonde
organismen.
Brand als beheermaatregel?
In augustus 1995 verbrandde op het Millingerzand bij Kootwijk (zie
afbeelding 1) honderd hectare bos. Het bos maakte deel uit van een
bosvegetatie met grove dennen op zeer voedselarme stuifzanden.
Onderzoekers van Alterra (Universiteit Wageningen) hadden net een
onderzoek naar het effect van begrazing op het vergrassen in dit bos
afgerond. Door de brand werd het mogelijk om de effecten van bosbrand
op de lange termijn te onderzoeken. Uit het onderzoek kan blijken of
gecontroleerd afbranden kan worden ingezet als beheermaatregel.
Vóór de brand kampte het bos
afbeelding 1
met verzuring, vermesting en een
verminderde biodiversiteit. De
dikke strooisellaag van naalden,
takjes en resten van afgestorven
planten was steeds voedselrijker
geworden door de uitstoot van
ammoniak uit de veehouderij en
door stikstofoxiden afkomstig van
industrie en verkeer.
Deze vermesting verkleinde de
overlevingskansen voor planten
en dieren die op voedselarme
grond gedijen. Onder de grove dennen had zich een permanente
monocultuur van grassen gevestigd. Onderzoeker Rolf Kemmers legt uit
waarom brand een alternatief voor begrazing kan zijn: “Als na een
bosbrand het kale stuifzand bovenkomt, vestigen zich er opnieuw grove
dennen met een ondergroei van korstmossen, struikheide en kruiden.
Bovendien trekken dode bomen veel houtetende insecten aan, die op hun
beurt aantrekkelijk zijn voor bijvoorbeeld spechten.”
1p 1 Waardoor verkleint vermesting in het algemeen de overlevingskans van
plantensoorten die op arme zandgrond gedijen?
1p 2 Waardoor wordt ook de overlevingskans van dieren die vooral op arme
zandgrond gedijen, verkleind door vermesting?
VW-1018-a-15-1-o lees verder ►►►
, De brand bij Kootwijk bood een unieke gelegenheid om het effect van een
bosbrand op en in de bodem te onderzoeken. Door de brand veranderde
de hoeveelheid organische stof in de strooisellaag en werd de bodemlaag
onder het strooisel verrijkt met mineralen.
Tijdens het onderzoek is de hoeveelheid organische stof op twee plaatsen
gemeten: in de strooisellaag en in de eerste 5 cm van de ondergrond (het
zand) onder deze strooisellaag. Er zijn waarden beschikbaar van vóór de
brand, van één jaar na de brand en van negen jaar na de brand. In
afbeelding 2 zijn deze resultaten weergegeven.
afbeelding 2
10000 Legenda:
organische
voor brand
stof 9000
(g.m-2) 1 jaar na brand
8000 9 jaar na brand
7000
6000
5000
4000
3000
2000
1000
0
strooisel ondergrond totaal
0 - 5 cm
2p 3 Leg uit waardoor er een jaar na de brand meer uitspoeling van mineralen
zal plaatsvinden dan daarvoor. Gebruik bij je antwoord de gegevens uit
afbeelding 2.
1p 4 Geef een verklaring voor de sterke toename van de hoeveelheid
organische stof in de strooisellaag (zie afbeelding 2) in de negen jaar na
de brand.
VW-1018-a-15-1-o lees verder ►►►
, Tijdens een bosbrand vinden er verschillende chemische processen
plaats. De in de biomassa en strooisellaag aanwezige stikstof-
verbindingen worden deels omgezet in ammoniumzouten die na verloop
van tijd weer uit de bodem verdwijnen (zie afbeelding 3).
afbeelding 3
14 Legenda:
ammonium
(g.m-2) voor brand
12 1 jaar na brand
9 jaar na brand
10
8
6
4
2
0
strooisel ondergrond totaal
0 - 5 cm
Om een verklaring te vinden voor de verlaging van het ammoniumgehalte
tussen het eerste en het negende jaar na de brand, worden drie
processen genoemd die het ammoniumgehalte in de bodem beïnvloeden:
1 activiteit van rottingsbacteriën;
2 nitrificatie;
3 uitspoeling.
2p 5 Welke van deze processen kunnen het ammoniumgehalte in de bodem
verlagen?
A alleen 1 en 2
B alleen 1 en 3
C alleen 2 en 3
D 1, 2 en 3
Gecontroleerd afbranden van een deel van een bos zou als beheer-
maatregel kunnen worden ingezet om in het gebied verzuring, vermesting
en stagnerende successie tegen te gaan. Verzuring wordt in ieder geval
enige tijd teruggedrongen, zo is gebleken uit het onderzoek.
2p 6 Beargumenteer in hoeverre gecontroleerd afbranden wel of niet effectief
is als beheermaatregel tegen vermesting. Je kunt daarbij gebruikmaken
van de gegevens uit de beschreven (deel)onderzoeken.
VW-1018-a-15-1-o lees verder ►►►