2011
tijdvak 1
vrijdag 27 mei
13.30 - 16.30 uur
biologie
tevens oud programma biologie 1,2
Dit examen bestaat uit 35 vragen.
Voor dit examen zijn maximaal 68 punten te behalen.
Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten met een goed antwoord behaald kunnen
worden.
Als bij een open vraag een verklaring, uitleg of berekening gevraagd wordt, worden aan het
antwoord meestal geen punten toegekend als deze verklaring, uitleg of berekening
ontbreekt.
Geef niet meer antwoorden (redenen, voorbeelden e.d.) dan er worden gevraagd. Als er
bijvoorbeeld twee redenen worden gevraagd en je geeft meer dan twee redenen, dan
worden alleen de eerste twee in de beoordeling meegeteld.
VW-1018-a-11-1-o
, Tenzij anders vermeld, is er sprake van natuurlijke situaties en gezonde
organismen.
Toename productie biomassa dankzij versterkt broeikaseffect
Amerikaanse milieubiologen hebben een onderzoek naar wereldwijde effecten
van klimaatveranderingen op de jaarlijkse netto primaire productie (NPP)
afgesloten met een artikel in het tijdschrift Science.
In de afbeelding is een resultaat van het onderzoek weergegeven: de toe- en
afname van de NPP op verschillende plaatsen op de wereld in de periode van
1982 tot 1999.
Legenda:
sterke toename gelijk gebleven
toename afname
Op een aantal plaatsen is sprake van een toename van de NPP. Over de
oorzaak van de toename in die gebieden zijn wetenschappers nog volop in
discussie. Klimaatverandering, bijvoorbeeld als gevolg van een versterking van
het broeikaseffect, kan een oorzaak zijn. Maar ook door de mens veroorzaakte
of aangebrachte plaatselijke veranderingen kunnen een toename van de NPP
teweegbrengen.
Klimaatveranderingen die in deze periode plaatselijk werden gevonden, zijn:
1 verhoging van de hoeveelheid jaarlijkse neerslag;
2 verlaging van de gemiddelde temperatuur;
3 verandering van het aantal zonuren.
2p 1 Welke van deze veranderingen kan of welke kunnen een verklaring zijn voor een
plaatselijke toename van de NPP?
A alleen 1 en 2
B alleen 1 en 3
C alleen 2 en 3
D 1, 2 en 3
VW-1018-a-11-1-o 2 lees verder ►►►
, Activiteiten die in deze periode door boeren lokaal werden uitgevoerd, zijn:
1 uitbreiding van het land- en tuinbouwareaal;
2 verbetering van de teeltmethodes;
3 meer gebruikmaken van genetisch gemodificeerde gewassen.
2p 2 Welke van deze activiteiten kan of welke kunnen een verklaring zijn voor de
toename van de NPP op bepaalde plaatsen?
A alleen 1
B alleen 1 en 2
C alleen 1 en 3
D alleen 2 en 3
E 1, 2 en 3
Als gevolg van een verhoging van het CO2-gehalte van de atmosfeer is er meer
fotosyntheseactiviteit mogelijk. Om een inschatting te maken over de invloed
van de verhoogde fotosyntheseactiviteit op het CO2-gehalte van de atmosfeer,
moet rekening worden gehouden met andere processen die in de
koolstofkringloop plaatsvinden.
3p 3 − Noem een ander proces in de koolstofkringloop dat door een versterkt
broeikaseffect beïnvloed wordt.
− Hoe wordt dit proces door een versterkt broeikaseffect beïnvloed?
− En wat is de invloed daarvan op het CO2-gehalte van de atmosfeer?
Eendagshaantjes
In de pluimveehouderij worden in Nederland jaarlijks tientallen miljoenen
eendagshaantjes gedood. Dit cijfer is te vinden in het rapport ‘Alternatieven voor
doding van eendagskuikens’, in 2007 opgesteld in opdracht van het ministerie
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
Bij legrassen zijn de haantjes niet in tel. Ze zijn ook niet geschikt om tot
slachtkuiken uit te laten groeien. De eendagshaantjes worden daarom gedood
en tot diervoer verwerkt of als prooidieren verkocht aan dierentuinen.
Er wordt onderzoek gedaan naar manieren om dit te voorkomen.
Bijvoorbeeld door te bewerkstelligen dat er geen, of veel minder haantjes
uitkomen. Een andere mogelijkheid is een vroege geslachtsbepaling van
versgelegde eieren. Alleen de ‘vrouwelijke’ eieren (eieren met een vrouwelijk
embryo) gaan dan de broedmachine in.
Net als bij de mens wordt het geslacht bij hoenders bepaald door de
geslachtschromosomen. Anders dan bij de mens is bij hoenders het vrouwtje het
heterogamete geslacht (met de geslachtschromosomen Z en W) en het
mannetje het homogamete geslacht (met twee Z geslachtschromosomen).
Het is in theorie mogelijk om het ontstaan van haantjes onder de nakomelingen
selectief tegen te gaan, door te voorkomen dat bepaalde gameten gevormd
worden.
2p 4 Van welke gameten dient hiertoe de vorming te worden voorkomen?
A alleen van eicellen met het W-chromosoom
B alleen van eicellen met het Z-chromosoom
C alleen van spermacellen met het Z-chromosoom
D van eicellen én spermacellen met het Z-chromosoom
VW-1018-a-11-1-o 3 lees verder ►►►
, Recent onderzoek laat zien dat het bij hoenders mogelijk is om met behulp van
hoge doses progesteron het percentage mannetjes onder de nakomelingen te
verlagen. De hennen werden geïnjecteerd met verschillende doses in olie
opgelost progesteron.
In afbeelding 1 zijn de resultaten van dit experiment weergegeven.
afbeelding 1
aandeel mannetjes 0,7 Legenda:
in het nageslacht I geen progesteron
0,6
II 0,25 mg progesteron
0,5 III 2 mg progesteron
0,4
0,3
0,2
0,1
0
I II III
Uit de gegevens in afbeelding 1 kan worden afgeleid hoe groot onder natuurlijke
omstandigheden de sexratio (mannetjes/vrouwtjes) bij de nakomelingen van
deze hennen is.
2p 5 Wat is de sexratio onder natuurlijke omstandigheden?
A kleiner dan 1
B ongeveer gelijk aan 1
C groter dan 1
1p 6 Welke behandeling moeten de hennen uit de controlegroep ondergaan?
De onderzoekers veronderstellen dat de toegediende hoge dosis van 2 mg
progesteron in de hen invloed heeft op het verloop van de meiose. Door een
veranderde structuur van de spoelfiguur gaan tijdens de meiose de twee
geslachtschromosomen niet willekeurig uiteen en zou één van de
geslachtschromosomen vaker in een poollichaampje terechtkomen.
2p 7 Tijdens welk deel of tijdens welke delen van de meiose heeft de hoge dosis
progesteron dit effect dan?
A alleen tijdens meiose I
B alleen tijdens meiose II
C zowel tijdens meiose I als tijdens meiose II
VW-1018-a-11-1-o 4 lees verder ►►►