2010
tijdvak 1
dinsdag 18 mei
13.30 - 15.30 uur
biologie CSE GL en TL
Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage.
Dit examen bestaat uit 51 vragen.
Voor dit examen zijn maximaal 68 punten te behalen.
Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten met een goed antwoord behaald kunnen
worden.
GT-0191-a-10-1-o
, Meerkeuzevragen
Schrijf alleen de hoofdletter van het goede antwoord op.
Tenzij anders vermeld, is er sprake van normale situaties en gezonde
organismen.
Bijen als speurhond
Bijen reageren op de geur van suikerwater door hun opgerolde tong uit te
steken. Onderzoekers in de Verenigde Staten hebben bijen blootgesteld aan de
geur van bepaalde explosieven en ze tegelijk suikerwater gegeven. Na enkele
uren hadden de bijen geleerd hun tong uit te steken als ze de explosieven
roken, ook als ze geen suikerwater kregen.
Zulke getrainde bijen hoopt men in de toekomst te kunnen gebruiken om
bijvoorbeeld bommen op te sporen.
1p 1 Hoe wordt de beschreven vorm van leren genoemd?
A conditionering
B inprenting
C trial and error
1p 2 Wat is voor zulke getrainde bijen de uitwendige prikkel om bij het vinden van
een bom de tong uit te steken?
Vogelgedrag
2p 3 Een mannetje van een bepaalde vogelsoort is in zijn territorium tijdens de
paartijd aan het zingen. Hij heeft nog geen vrouwtje.
In het gebied waarin het territorium ligt, bevinden zich nog vier andere vogels:
vogel P: een mannetje van dezelfde soort in zijn eigen territorium;
vogel Q: een mannetje van dezelfde soort dat geen eigen territorium heeft;
vogel R: een vrouwtje van dezelfde soort zonder mannetje;
vogel S: een mannetje van een andere soort die ook in de paartijd zingt.
In de afbeelding wordt weergegeven waar de verschillende vogels zich bevinden
in het gebied.
R
P
Q
S
Op de uitwerkbijlage staat een schema met vier verschillende gedragingen.
Æ Vul in het schema de letters van de vogels in bij het gedrag dat ze vertonen
als reactie op het zingende mannetje. Gebruik elke letter eenmaal.
GT-0191-a-10-1-o 2 lees verder ►►►
, Experiment met slakken
1p 4 Compost bestaat onder andere uit dode plantenresten. Deze resten worden
afgebroken door allerlei organismen. Hierbij speelt de vochtigheidsgraad van de
compost een belangrijke rol. Hoe hoger de vochtigheidsgraad, des te meer
water zich in de compost bevindt.
Slakken leggen eitjes in compost. Een biologiedocent geeft enkele leerlingen de
opdracht een experiment uit te voeren met als onderzoeksvraag:
“Wat is de invloed van de vochtigheidsgraad van de compost op het aantal eitjes
dat de slakken leggen?”
In vijf bakken met compost worden 10 slakken per bak gezet. De compost in
elke bak heeft een andere vochtigheidsgraad.
Gedurende vijf dagen wordt geteld hoeveel eitjes er per dag in iedere bak zijn
gelegd.
De resultaten zijn in de tabel weergegeven.
vochtigheidsgraad van de compost
bak 1 bak 2 bak 3 bak 4 bak 5
dag 10% 25% 50% 75% 98%
1 0 0 60 80 0
2 0 0 98 140 0
3 0 86 126 70 0
4 0 0 0 98 0
5 0 114 21 0 23
Twee leerlingen trekken een conclusie uit de resultaten:
conclusie 1: Hoe vochtiger de omgeving des te meer eitjes leggen de slakken.
conclusie 2: Slakken gaan dood als het te droog is.
Zijn deze conclusies juist, uitgaande van de onderzoeksvraag en de resultaten?
A Beide conclusies zijn juist.
B Alleen conclusie 1 is juist.
C Alleen conclusie 2 is juist.
D Geen van beide conclusies is juist.
GT-0191-a-10-1-o 3 lees verder ►►►
, Stamboom van de olifantachtigen
Volgens de evolutietheorie hebben de Aziatische en de Afrikaanse olifant zich
ontwikkeld uit ‘oer-olifantachtigen’ die ruim 50 miljoen jaar geleden op aarde
leefden.
In de afbeelding is deze ontwikkeling weergegeven in een stamboom.
Absolute ouderdom
in miljoenen jaren Elephas
(Aziatische olifant)
0
Holoceen
0,01
Mammuthus Loxodonta
(Wolharige (Afrikaanse
mammoet) olifant)
Pleistoceen
2
Mammut Stegotetrabelodon
Plioceen
5
Primelephas Stegodon
Anancus
Nan hoth
Go m
cus eri
Cuvieronius
p
-ty m
pe
Elephantidae
u
Cuv mpho
ae
Go
ntid
Mioceen
iero the
do
Geavanceerde Platybelodon
niu rium
go
Gomphotherium
s- t
Ste
ium
yp
th
e
er
p ho
Tetralophodon Gom
Ma
pe Deinotherium
l-ty
m
e
mu
o ff
ae Sch
tid
24
Gomphotherium
Oer
Gomphotherium
Oligoceen
dae
eri
Paleomastodon
th
ino
De
36 Paleomastodon
Eoceen Moeritherium
Mo
rith
e
erid Barytheridae Barytherium
ae
Oer-Olifantachtigen
55
1p 5 Naar aanleiding van deze stamboom worden twee uitspraken gedaan.
Deze twee uitspraken staan op de uitwerkbijlage.
Æ Geef bij elke uitspraak met een kruisje aan of deze juist of onjuist is.
1p 6 Hoeveel groepen olifantachtigen kwamen er voor in het begin van het Plioceen
volgens de stamboom?
GT-0191-a-10-1-o 4 lees verder ►►►