2006
tijdvak 1
woensdag 24 mei
13.30 – 15.30 uur
BIOLOGIE CSE GL EN TL
Bij dit examen horen een uitwerkbijlage en een bijlage.
Dit examen bestaat uit 46 vragen.
Voor dit examen zijn maximaal 56 punten te behalen.
Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten maximaal behaald kunnen worden.
600013-1-588o
, z Meerkeuzevragen
Schrijf alleen de hoofdletter van het goede antwoord op.
Tenzij anders vermeld, is er sprake van natuurlijke situaties en gezonde organismen.
PLASSENDE PANDABEREN
1p { 1 Mannetjespanda’s gaan soms op hun voorpoten staan om te plassen, zodat de urine met
geurstoffen op een hoge plek terechtkomt. Ze brengen zo een geurvlag aan (zie de
afbeelding).
Æ Hoe wordt een gebied genoemd dat met zulke geurvlaggen wordt aangegeven?
GALSTENEN
Vaak bevat de galblaas kleine steentjes, zogenaamde galstenen. Als zo’n galsteen
vast komt te zitten in een buis waardoor gal wordt afgevoerd, is onder andere
hevige buikpijn het gevolg. Bevindt het steentje zich in de grote galbuis, dan kan
de gal niet meer in het verteringsstelsel terechtkomen.
1p z 2 In gal bevindt zich bilirubine, een afvalstof die ontstaat bij het afbreken van rode
bloedcellen in de lever. Als de grote galbuis afgesloten is, wordt bilirubine met het bloed
uit de lever afgevoerd en komt onder andere onder de huid terecht. De huid krijgt dan een
gele kleur. Dit wordt geelzucht genoemd.
Bloed met bilirubine wordt door de leverader afgevoerd uit de lever.
In welk bloedvat komt het bloed uit de leverader dan als eerste terecht?
A in de aorta
B in de bovenste holle ader
C in de onderste holle ader
600013-1-588o 2 ga naar de volgende pagina
,1p z 3 In de afbeelding hieronder is een schema van de bloedsomloop weergegeven.
Bij iemand met geelzucht wordt bilirubine door de nieren uitgescheiden. De urine is dan
donkerbruin van kleur.
Op weg van de lever naar de nieren komt het bloed minstens tweemaal door het hart.
In welke volgorde passeert het bloed dan de delen van het hart?
A linkerboezem – linkerkamer – rechterboezem – rechterkamer
B linkerboezem – rechterboezem – linkerkamer – rechterkamer
C rechterboezem – rechterkamer – linkerboezem – linkerkamer
D rechterboezem – linkerboezem – rechterkamer – linkerkamer
600013-1-588o 3 ga naar de volgende pagina
, VLEESETENDE PLANTEN
Vleesetende planten komen voor in een
omgeving met weinig voedingszouten in de
bodem. Zulke planten lokken, vangen, doden en
verteren hun ‘prooien’. Uit de verteerde prooien
nemen ze voedingszouten op, zoals nitraten. In
vleesetende planten treedt wél fotosynthese op.
In de afbeelding is een cel uit een blad van een
vleesetende plant weergegeven.
1p z 4 Welke letter geeft een deel aan waarin fotosynthese optreedt?
A letter Q
B letter R
C letter S
D letter T
1p { 5 Æ Welke energierijke stof maakt de plant door fotosynthese?
1p z 6 Voor de opbouw van welke voedingsstoffen gebruikt een plant nitraten?
A eiwitten
B koolhydraten
C vetten
Sommige vleesetende planten vangen hun ‘prooi’ met
vangbekers (zie de afbeelding). In de vangbekers bevindt zich
regenwater met bacteriën. Een insect dat in zo’n beker
terechtkomt, kan niet meer ontsnappen en verdrinkt. De
bacteriën verteren de prooi, waarna de plant de vrijgekomen
voedingszouten kan opnemen.
600013-1-588o 4 ga naar de volgende pagina