2009
tijdvak 1
dinsdag 19 mei
13.30 - 16.30 uur
biologie 1,2
Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.
Dit examen bestaat uit 35 vragen.
Voor dit examen zijn maximaal 73 punten te behalen.
Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten met een goed antwoord behaald kunnen
worden.
Als bij een open vraag een verklaring, uitleg of berekening vereist is, worden aan het
antwoord meestal geen punten toegekend als deze verklaring, uitleg of berekening
ontbreekt.
Geef niet meer antwoorden (redenen, voorbeelden e.d.) dan er worden gevraagd. Als er
bijvoorbeeld twee redenen worden gevraagd en je geeft meer dan twee redenen, dan
worden alleen de eerste twee in de beoordeling meegeteld.
925-0193-a-VW-1-o
, Tenzij anders vermeld, is er sprake van normale omstandigheden en gezonde
organismen.
Mieren en acacia’s
In Midden-Amerika komen mieren voor
die leven op en van acaciastruiken, zoals
Acacia collinsii. Mieren van de soort
Pseudomyrmex ferrugineus zijn zéér
agressief en vallen alle organismen aan
die het hebben voorzien op ‘hun’
acaciastruik. Deze mieren nestelen in
holten in dorens en halen al hun voedsel
uit deze ene struik: ze gebruiken stoffen
uit de nectarklieren die zich op de
bladstelen bevinden en uit de
voedselrijke bolletjes die aan de toppen
van de jonge bladeren zitten (zie
afbeelding).
1p 1 Hoe wordt de symbiose tussen mieren van de soort Pseudomyrmex ferrugineus
en de struik Acacia collinsii genoemd?
Het gehalte aan bepaalde voedingsstoffen in voedselbolletjes van twee acacia-
soorten, A. hindsii en A. collinsii, is onderzocht. Ook werd het gehalte van deze
voedingsstoffen in de bladeren van deze acaciastruiken bepaald.
De resultaten zijn weergegeven in onderstaande diagrammen.
voedselbolletjes bladeren
100 100
mg per g mg per g
drooggewicht drooggewicht
90 90
80 80
70 70
60 60
50 50
40 40
30 30
20 20
10 10
0 0
A. hindsii A. collinsii A. hindsii A. collinsii
Legenda:
mono- en disachariden aminozuren vetten
polysachariden eiwitten
925-0193-a-VW-1-o 2 lees verder ►►►
, Er is een verschil tussen het gehalte aan voedingsstoffen in de voedselbolletjes
en het gehalte van deze voedingsstoffen in de bladeren van A. hindsii.
2p 2 Leg uit dat dit verschil eventuele vraatschade door insecten kan voorkomen.
Uit de twee diagrammen kan niet de conclusie worden getrokken dat A. hindsii
meer energie investeert in zijn relatie met de Pseudomyrmex mieren dan
A. colinsii.
2p 3 Geef hiervoor twee argumenten.
De acacia A. mayana, die over nectarklieren en over voedselbolletjes beschikt,
wordt niet alleen bewoond door P. ferrugineus, maar ook door een andere
mierensoort Camponotus planatus. De relatie van C. planatus met A. mayana is
anders dan die van P. ferrugineus met deze acacia.
Hieronder worden enkele waarnemingen genoemd, met betrekking tot de twee
mierensoorten die leven op dezelfde A. mayana struik.
1 P. ferrugineus verwijdert larven van andere plantenetende insectensoorten,
behalve die van C. planatus.
2 C. planatus verdringt overdag P. ferrugineus bij de nectarklieren, ’s nachts
trekt C. planatus zich terug.
3 P. ferrugineus gebruikt ter verdediging vooral zijn steekapparaat,
C. planatus zet tegen verdediging vooral chemische stoffen in.
2p 4 Welke van deze waarnemingen ondersteunen de bewering dat C. planatus
profiteert van de relatie tussen de acacia en P. ferrugineus?
A alleen 1 en 2
B alleen 1 en 3
C alleen 2 en 3
D 1, 2 en 3
Woestijnhaviken
De meeste roofvogelsoorten leven en jagen alleen.
Woestijnhaviken (Parabuteo unicinctus) in het zuiden
van de USA hebben een hiervan afwijkend gedrag:
zij leven en jagen in voortplantingsgroepen.
Een voortplantingsgroep bestaat uit twee tot zeven
volwassen dieren rond één nest. Binnen zo’n
nestgroep bestaat een sociale hiërarchie, waarbij de
individuen afgebakende rollen hebben. Er zijn twee
dominante haviken (het α-mannetje en α-vrouwtje).
De andere volwassen vogels, de β-mannetjes en
β-vrouwtjes, zijn ondergeschikt. Hun taken zijn onder
andere het vangen en aanslepen van de prooi en assisteren bij de voedsel-
voorziening van de uitvliegende jongen. Binnen de groep van de α’s en de β’s
zijn de vrouwtjes dominant over de mannetjes.
Biologen in Arizona hebben gegevens over het gedrag van de individuele dieren
in verschillende nestgroepen verzameld. Daarnaast hebben ze van ieder dier
een DNA-profiel gemaakt. Omdat de paring ver van het nest plaatsvindt, kan
meestal niet vastgesteld worden wie met wie paart.
925-0193-a-VW-1-o 3 lees verder ►►►
, In onderstaande tabel is van drie nesten een aantal waarnemingen gegeven.
nest P nest Q nest R
(Double Arrow) (Pancho Villa Road) (Mile Post 246)
Een volwassen vrouwtje Een volwassen vrouwtje Een volwassen vrouwtje
(P1), twee volwassen (Q1), twee volwassen (R1), twee volwassen
mannetjes (P2 en P3) en mannetjes (Q2 en Q3) mannetjes (R2 en R3) en
twee jongen (p1 en p2). en drie jongen (q1, q2 en twee jongen (r1 en r2).
P1 broedde de eieren uit q3). De volwassen R3 besteedde meer tijd
en zorgde voor de mannetjes gingen samen aan het voeden en
jongen. Beide mannetjes op jacht en vingen prooi zorgen voor de jongen
leverden hun eigen voor henzelf en voor de dan R2.
bijdrage aan de zorg. P2 drie jongen. Het vrouwtje R2 wordt door R3 vaak
joeg P3 weg wanneer broedde en zorgde voor weggejaagd.
die binnen 50 meter van de jongen. Q3 hielp af en Van R3 werd waarge-
het nest kwam. toe. Van Q3 werd nomen dat hij met R1
Paringen werden niet waargenomen dat hij met paarde, van R2 is dat
waargenomen. het vrouwtje paarde. niet waargenomen.
Op basis van de gedragsgegevens is het mogelijk om voor ieder van de drie
nesten aannemelijk te maken wie het α-mannetje is.
2p 5 Welk mannetje is op basis van de gedragsgegevens waarschijnlijk het
α-mannetje in nest P, in nest Q en in nest R?
nest P nest Q nest R
A P2 Q2 R3
B P2 Q3 R2
C P2 Q3 R3
D P3 Q2 R2
E P3 Q2 R3
F P3 Q3 R2
Vóór 1985 werden nog geen DNA-profielen gemaakt. Tot die tijd was men voor
het bepalen van het ouderschap in de nestgroepen met meer dan één
volwassen mannetje, aangewezen op gedragsgegevens.
De hypothese was dat de α-mannetjes de vader zouden zijn van alle jongen.
Een waargenomen paring van het vrouwtje met het α-mannetje is hiervoor een
aanwijzing.
2p 6 Noteer nog twee mogelijke gedragswaarnemingen die deze hypothese
aannemelijk maken.
925-0193-a-VW-1-o 4 lees verder ►►►