Examen VWO
20
biologie 1,2
Voorbereidend
Wetenschappelijk
Onderwijs
Tijdvak 1
Donderdag 18 mei
13.30 – 16.30 uur
Als bij een open vraag een verklaring, uitleg
of berekening vereist is, worden aan het
antwoord meestal geen punten toegekend als
deze verklaring, uitleg of berekening
ontbreekt.
Voor dit examen zijn maximaal 79 punten te
behalen; het examen bestaat uit 36 vragen. Geef niet meer antwoorden (redenen,
Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel voorbeelden e.d.) dan er worden gevraagd.
punten met een goed antwoord behaald kunnen Als er bijvoorbeeld twee redenen worden
worden. gevraagd en je geeft meer dan twee redenen,
Voor de beantwoording van de vragen 18 en 30 dan worden alleen de eerste twee in de
is een uitwerkbijlage bijgevoegd. beoordeling meegeteld.
600025-1-25o Begin
, Tenzij anders vermeld, is er sprake van normale situaties en gezonde organismen.
Goudplevieren
Goudplevieren zijn trekvogels die in IJsland, Scandinavië en Noord-Rusland broeden. Ze
overwinteren langs de kust van Frankrijk, Spanje, Portugal en Noordwest-Afrika. Veel
goudplevieren trekken door Nederland.
In de linker tekening van afbeelding 1 zijn de belangrijkste zuidwaartse trekbewegingen
aangegeven. De pijlen geven de richting van de trek aan, waarbij de dikte van de pijl een
maat is voor het aantal vogels dat deelneemt aan de trek. De zuidwaartse trek begint in de
zomer, maar vindt vooral in het najaar plaats. De rechter tekening van afbeelding 1 geeft
een overeenkomstig schema voor de noordwaartse trek, die vooral in het voorjaar
plaatsvindt. Ongeveer 10% van de vogels komt na de overwintering niet meer terug in het
broedgebied.
afbeelding 1
Zuidwaartse trek Noordwaartse trek
bron: J. Jukema e.a., Goudplevieren en wilsterflappers, eeuwenoude fascinatie voor
trekvogels, Utrecht, 2001, 26
Op verschillende plaatsen in Nederland worden door vrijwilligers regelmatig urenlang
overvliegende en foeragerende goudplevieren geteld.
Een deel van de goudplevieren wordt gevangen, opgemeten en geregistreerd. Daarna krijgen
ze een gemerkte ring om een poot, waardoor ze worden herkend als ze opnieuw worden
gevangen (ringonderzoek). De resultaten van de tellingen over de periode 1976 - 1993, en
de gegevens uit het ringonderzoek worden gebruikt om beweringen over de vogeltrek te
toetsen.
De resultaten van de tellingen geven een beeld van het aantal goudplevieren dat door
Nederland is getrokken. Dit beeld is niet erg nauwkeurig.
3p 1 Geef drie verschillende oorzaken waardoor de tellingen geen nauwkeurig beeld geven.
Er zijn aanwijzingen dat een aantal vogels na overwintering in Zuid-Europa of West-Afrika
niet via Nederland, maar via een meer oostelijke route door het Middellandse-Zeegebied
terugvliegt naar hun broedgebied (zie afbeelding 1). In de jaren 1976 - 1993 zijn boven
Nederland gemiddeld 210.000 goudplevieren geteld van juli tot september, 335.000 van
september tot eind december en 375.000 van eind januari tot juni.
3p 2 - Kunnen de resultaten van bovenstaande tellingen worden gebruikt als argument vóór de
hypothese dat een deel van de populatie die in de late zomer en in het najaar door
Nederland naar het zuiden trekt, via een andere route terugvliegt naar het broedgebied?
- Leg je antwoord uit met behulp van een berekening.
600025-1-25o 2 Lees verder
, Uit gewichtsbepalingen aan gevangen goudplevieren blijkt dat ze zowel gedurende het
voorjaar als gedurende het najaar gemiddeld zwaarder worden.
Van deze vogels is ook de totale hoeveelheid lichaamsvet en het vet-vrije gewicht bepaald.
Het vet-vrije gewicht is een maat voor de hoeveelheid eiwit. Gegevens over de hoeveelheid
vet en het vet-vrije gewicht zijn in de diagrammen van afbeelding 2 weergegeven.
afbeelding 2 hoeveelheid 80 Legenda:
vet (g) 70 najaarsmetingen
voorjaarsmetingen
60
50
40
30
20
10
0
0 10 20 30 40 50 60
dagen na het begin van gewichtstoename
vet-vrije 220
gewicht
(g) 210
200
190
180
170
160
0
0 10 20 30 40 50 60
dagen na het begin van gewichtstoename
bron: J. Jukema e.a., Goudplevieren en wilsterflappers, eeuwenoude fascinatie voor
trekvogels, Utrecht, 2001, 180-181
Op grond van de gegevens in afbeelding 2 worden over de gewichtsveranderingen in het
voorjaar en het najaar de volgende beweringen gedaan:
1 in het najaar berust de gewichtstoename vrijwel geheel op vetten;
2 in het voorjaar is de dagelijkse gewichtstoename gemiddeld circa drie keer zo groot als in
het najaar;
3 bij het begin van de gewichtstoename is het verschil tussen het lichaamsgewicht in het
voorjaar en het lichaamsgewicht in het najaar, minder dan 5%.
2p 3 Welke van deze beweringen is of welke van deze beweringen zijn juist?
A alleen bewering 1
B alleen bewering 2
C alleen bewering 3
D alleen bewering 1 en 2
E alleen bewering 2 en 3
F de beweringen 1, 2 en 3
De energie die wordt gebruikt bij de voorjaars- en najaarstrek, kan geleverd worden door
reserves bestaande uit eiwitten, koolhydraten en/of vetten.
1p 4 Welk voordeel heeft opslag van vetten boven opslag van koolhydraten of eiwitten, vóór
de trek?
600025-1-25o 3 Lees verder
, Kleurenblindheid
Het eiland Pingelap in de Stille Oceaan heeft ongeveer 800 bewoners.
Van de bewoners is 8% volledig kleurenblind doordat ze geen kegeltjes hebben. Op de
plaatsen waar bij kleurenzienden kegeltjes voorkomen, bevinden zich bij deze
kleurenblinden geen lichtreceptoren. Deze vorm van kleurenblindheid komt elders in de
wereld bij 1 op de 30.000 mensen voor. Het gen voor deze vorm van kleurenblindheid is
recessief en autosomaal (niet X-chromosomaal).
3p 5 Bereken hoeveel maal groter de frequentie van dit gen voor kleurenblindheid op het eiland
Pingelap is dan de frequentie van dit gen in de rest van de wereld. Rond je antwoord af op
een geheel getal.
tekst 1 De afstand tussen Pingelap en het dichtstbij gelegen eiland is zo'n 280 kilometer.
Door de eeuwen heen is er niet veel contact geweest met bewoners van andere
eilanden. Pingelap werd omstreeks 1775 getroffen door een wervelstorm, waarbij
vrijwel de gehele bevolking omkwam. Zo'n twintig mensen overleefden de ramp.
Rond 1820 werden de eerste kleurenblinde kinderen geboren. Het percentage
kleurenblinden is al een aantal generaties stabiel.
bewerkt naar: O. Sacks, Het eiland der kleurenblinden, Amsterdam, 1996, 66
Onder de nakomelingen van de mensen die de natuurramp op Pingelap overleefden, komt de
hierboven beschreven vorm van kleurenblindheid veel voor.
3p 6 - Waardoor is de frequentie van het gen voor kleurenblindheid bij de bewoners meteen na
de ramp hoger dan ervoor?
- Noem twee factoren waardoor de frequentie hoog is gebleven.
De volledig kleurenblinde mensen op Pingelap zien een voorwerp alleen als de ogen
voortdurend springerige bewegingen rond het voorwerp maken. Ze zien het voorwerp niet
meer als ze proberen het met hun ogen te fixeren.
2p 7 - Leg uit waardoor het deze kleurenblinden niet lukt om het voorwerp te zien als ze het
proberen te fixeren.
- Leg uit waardoor de springerige bewegingen van de ogen wél beeldvorming mogelijk
maken.
Het celmembraan van een staafje dat niet wordt belicht, geeft constant een neurotransmitter
(glutamaat) af. Het potentiaalverschil tussen de binnenzijde en de buitenzijde van het
membraan bedraagt in het donker ongeveer -40 mV.
In afbeelding 3 is de membraanpotentiaalverandering weergegeven van een staafje dat door
een lichtflits van een bepaalde sterkte belicht wordt.
afbeelding 3 membraan-
potentiaal
(mV)
-40
-50
0 0,1 0,2 0,3 0,4
tijd (sec)
lichtflits
bewerkt naar: S. Silbernagl en A. Despopoulos, Sesam Atlas van de Fysiologie, Baarn,
2001, 355
600025-1-25o 4 Lees verder