Examen VWO
20
biologie 1, 2 (nieuwe stijl) en biologie (oude stijl)
Voorbereidend
Wetenschappelijk
Onderwijs
Tijdvak 1
Maandag 24 mei
13.30 – 16.30 uur
Als bij een open vraag een verklaring, uitleg
of berekening vereist is, worden aan het
antwoord meestal geen punten toegekend als
deze verklaring, uitleg of berekening
ontbreekt.
Voor dit examen zijn maximaal 77 punten te
behalen; het examen bestaat uit 41 vragen. Geef niet meer antwoorden (redenen,
Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel voorbeelden e.d.) dan er worden gevraagd.
punten met een goed antwoord behaald kunnen Als er bijvoorbeeld twee redenen worden
worden. gevraagd en je geeft meer dan twee redenen,
Voor de uitwerking van de vragen 12, 31 en 32 dan worden alleen de eerste twee in de
is een uitwerkbijlage toegevoegd. beoordeling meegeteld.
400014-1-28o Begin
, Tenzij anders vermeld, is er sprake van normale situaties en gezonde organismen.
Genetisch gemodificeerde gewassen
In 2001 peilde de commissie-Terlouw de mening van het publiek over het toepassen van
genetische modificatie bij onze voedselproductie. Uit een artikel hierover is een alinea
overgenomen (tekst 1).
tekst 1 Nederlanders staan gereserveerd ten opzichte van
genetisch aangepast voedsel, maar ’in algemene zin’
mag biotechnologie wel gebruikt worden voor ons
eten.
Over de veiligheid van gm-voedsel denken Terlouw en
consorten positiever dan het volk.
Volgens de commissie zijn er geen wetenschappelijke
aanwijzingen die de zorgen rechtvaardigen die onder het
publiek leven over de veiligheid van voedingsmiddelen
die met behulp van gentechnologie geproduceerd zijn.
bron: Bionieuws, NIBI, jaargang 12, 19-01-02, 1
Het doel van genetische modificatie kan zijn het vergroten van de opbrengst per hectare.
Voorbeelden van door genetische modificatie veranderde gewassen zijn:
1 aardappelplanten met grotere bladeren;
2 komkommerplanten waarvan de bladeren bestand zijn tegen vraat door insecten;
3 maïsplanten die in staat zijn om N 2 te binden;
4 rijst die bèta-caroteen (pro-vitamine A) bevat;
5 soyaplanten die bestand zijn tegen een chemisch onkruidbestrijdingsmiddel;
6 tomatenplanten met vruchten waarvan het rijpen na de oogst uitgesteld kan worden.
2p 1 Schrijf de nummers op van de gewassen waarvan verwacht kan worden dat de opbrengst per
hectare onder invloed van de toegevoegde genen groter is dan normaal.
Uit neurologisch onderzoek is gebleken dat in de hersenen chemische processen
plaatsvinden die worden beïnvloed door stoffen die bijvoorbeeld in voedsel kunnen zitten.
Een leerling verdedigt de volgende mening:
”Het is onwaarschijnlijk dat door het toegevoegde DNA in gm-voedsel chemische processen
in de hersenen beïnvloed worden.”
2p 2 Geef twee argumenten die de leerling kan gebruiken ter verdediging van deze mening.
Scherp zien
Persoon P kijkt naar een voorwerp dat zich op 8 meter afstand van zijn ogen bevindt en
daarna kijkt hij naar een voorwerp dat zich op 1 meter van zijn ogen bevindt.
2p 3 Gaan er bij deze verandering impulsen naar het straalvormig lichaam in zijn ogen?
Zo ja, neemt daardoor de spanning in de lensbandjes af of toe?
A Nee.
B Ja, daardoor neemt de spanning in de lensbandjes af.
C Ja, daardoor neemt de spanning in de lensbandjes toe.
Terwijl persoon P naar het voorwerp op 1 meter afstand van zijn ogen kijkt, verandert er
iets in zijn omgeving waardoor de kringspieren van de irissen van zijn ogen zich
samentrekken.
1p 4 Welke verandering kan dat zijn geweest?
Persoon Q kan alleen voorwerpen op een afstand van ongeveer 8 meter scherp zien.
Voorwerpen die dichterbij of verder weg zijn, kan hij niet scherp zien.
Q krijgt vanwege zijn beroep een bril met speciale glazen. Deze zijn zo geslepen dat de
bovenste helften van de glazen de werking hebben van bolle lenzen en de onderste helften
die van holle lenzen.
Persoon Q heeft zijn bril op. Hij verplaatst zijn blik van een voorwerp dat zich op 1 meter
afstand bevindt en dat hij scherp ziet, naar een voorwerp op 20 meter afstand. Beide
voorwerpen bevinden zich op dezelfde hoogte.
400014-1-28o 2 Lees verder
,2p 5 Welke beweging moet hij maken zodat hij het voorwerp op 20 meter afstand scherp kan
zien?
A Hij moet zijn hoofd naar achteren kantelen.
B Hij moet zijn hoofd naar voren kantelen.
C Hij moet zijn oogleden neerslaan.
D Hij moet zijn ogen half dichtknijpen.
Dinosauriërs
Door het bestuderen van fossiele resten van dinosauriërs is veel bekend geworden over de
bouw van de skeletten van deze dieren. Tabel 1 geeft een overzicht van een aantal
kenmerkende eigenschappen van het skelet van vijf verschillende genera (geslachten). Met
een + of – is aangegeven of de eigenschap wel of niet aanwezig is.
tabel 1 Allosaurus Pachycephalo- Parasaurolophus Stegosaurus Triceratops
saurus
gat in kom
heupgewricht + + + + +
uitsteeksel
heupbeen - + + + +
afwijkend
tandglazuur - + + - +
rand aan
schedelbasis - + - - +
bron: N.A. Campbell, Biology, Menlo Park California, 1999, 484
Op grond van de gegevens in tabel 1 kan een ’stamboom’ worden opgesteld zoals is
weergegeven in afbeelding 1. Bij elke vertakking in dit schema bevindt zich een voorouder
die een nieuw ontwikkelde, kenmerkende skeleteigenschap heeft. Deze eigenschap komt
vervolgens ook bij al zijn afstammelingen voor.
afbeelding 1 P Q R S T
In het schema van afbeelding 1 zijn de namen van de vijf genera uit tabel 1 niet ingevuld,
maar aangeduid met de letters P, Q, R, S en T.
2p 6 Zet de letters P tot en met T onder elkaar op je antwoordblad. Schrijf achter elke letter de
naam van het desbetreffende genus. Er zijn twee genera waarvan de namen verwisseld
mogen worden.
400014-1-28o 3 Lees verder
, Weefsels en organen van de mens
In afbeelding 2 is een dwarsdoorsnede van de romp van een mens weergegeven. Enkele
delen van het lichaam zijn aangeduid met de letters K, L, M en N.
afbeelding 2
bron: R. Poritsky, Cross-Sectional Anatomy to Color and Study, Cleveland, 1996, 29
2p 7 Geef de namen van de aangegeven delen K, L, M en N.
2p 8 Noem drie weefseltypen die voorkomen in een longkwab.
Fotosynthese
Vanuit tussenproducten van de fotosynthese worden niet alleen koolhydraten gevormd,
maar ook vetten, vetzuren, aminozuren en andere organische zuren. Dag- en seizoens-
gebonden schommelingen van abiotische factoren hebben direct invloed op de vorming van
deze eindproducten. De samenhang tussen een aantal abiotische factoren en de betreffende
stofwisselingsprocessen is weergegeven in afbeelding 3.
afbeelding 3
koolhydraten
veel veel
licht CO2
hexose P
stress veel licht
glycerol factoren veel O2 glycolzuur-fosfaat
lipiden triose P RuBP glycerinezuur-fosfaat
weinig CO2
CO2
PGA
weinig
licht
glutaminezuur
asparaginezuur
bewerkt naar: D.O. Hall & K.K. Rao, Photosynthesis, Studies in Biology, Cambridge, 1994,
106
400014-1-28o 4 Lees verder