Examen VWO
20
Biologie 1,2 (nieuwe stijl) en biologie (oude stijl)
Voorbereidend
Wetenschappelijk
Onderwijs
Tijdvak 1
Vrijdag 23 mei
13.30 – 16.30 uur
Als bij een open vraag een verklaring, uitleg
of berekening wordt gevraagd, worden aan
het antwoord meestal geen punten toegekend
als deze verklaring, uitleg of berekening
ontbreekt.
Voor dit examen zijn maximaal 77 punten te
behalen; het examen bestaat uit 38 vragen. Geef niet meer antwoorden (redenen,
Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel voorbeelden e.d.) dan er worden gevraagd.
punten met een goed antwoord behaald kunnen Als er bijvoorbeeld twee redenen worden
worden. gevraagd en je geeft meer dan twee redenen,
Voor de uitwerking van de vragen 19, 23, 28, 29 dan worden alleen de eerste twee in de
en 33 is een bijlage toegevoegd. beoordeling meegeteld.
300010 28 Begin
, Tenzij anders vermeld, is er sprake van natuurlijke situaties en gezonde organismen.
Bijen
Een bijenvolk bestaat uit één koningin, een groot aantal werksters en een klein aantal
darren. De koningin en de werksters zijn diploïd (2n), de darren ontstaan uit onbevruchte
eicellen. In afbeelding 1 zijn chromosomenpaar nummer 1 van een koningin en het
chromosoom nummer 1 van een dar getekend.
afbeelding 1
koningin dar
bron: Open Universiteit, Biologie van populaties en gedrag, leereenheid 44,
Sociobiologische uitgangspunten, Heerlen, 1988, 181
Tijdens de meiose-I die voorafging aan de vorming van één van de eicellen van deze
koningin heeft één bepaalde enkelvoudige crossing-over plaatsgevonden. Deze eicel wordt
bevrucht door een spermacel van de bovengenoemde dar en ontwikkelt zich tot een
werkster.
2p 1 - Teken op dezelfde wijze als in afbeelding 1 alle mogelijke combinaties van
chromosomenpaar nummer 1 die in deze werkster kunnen worden aangetroffen.
- Gebruik dezelfde arceringen voor de chromosomen of delen van de chromosomen als in
afbeelding 1.
2p 2 Hoe groot is de kans dat een dar een bepaald gen gemeenschappelijk heeft met de koningin
waarvan hij afstamt?
A 1/4
B 1/3
C 1/2
D 1
Bijen beschikken over een verfijnd communicatiesysteem betreffende de locatie van een
voedselbron. Hiernaar is onderzoek gedaan door de Oostenrijker Karl von Frisch. Hij
bestudeerde het gedrag van werksters van de honingbij (Apis mellifera). Uitkomsten van dit
onderzoek zijn beschreven in tekst 1.
tekst 1 De werksters verzamelen voedsel uit bloemen in de omgeving van de
bijenkast. Wanneer een werkster terugkeert van een plek met veel
voedsel, wordt in de kast de zogeheten bijendans uitgevoerd. De dans
geeft informatie over de richting van de voedselbron en de afstand van
de bijenkast tot de voedselbron.
De hoek tussen de richting van de zon en de richting van de voedselbron
wordt aangegeven met de hoek tussen de richting van de waggelende
beweging van de dans en de bovenkant van de kast. Als de voedselbron,
gezien vanuit de kast, in dezelfde richting staat als de zon, kruipen de
dieren tijdens de waggelbeweging recht omhoog over de verticaal in de
kast geplaatste raat. Als de voedselbron 120 graden naar rechts (met de
klok mee) staat ten opzichte van de zon, wijkt de dans 120 graden van
deze verticale lijn af (zie afbeelding 2).
300010 28 2 Lees verder
,afbeelding 2 bovenkant kast
zon
120˚
120˚
kast
voedselbron
onderkant kast
bewerkt naar: Open Universiteit, Biologie van populaties en gedrag, leereenheid 40,
Communicatie tussen soortgenoten, Heerlen, 1988, 86
Afbeelding 3 geeft een andere bijendans weer.
afbeelding 3 bovenkant kast
onderkant kast
In afbeelding 4 zijn vier mogelijke opstellingen van kast en voedselbron ten opzichte van de
zon getekend.
afbeelding 4
1 2 3 4
2p 3 Welke van de opstellingen uit afbeelding 4 hoort bij de bijendans in afbeelding 3?
A opstelling 1
B opstelling 2
C opstelling 3
D opstelling 4
300010 28 3 Lees verder
, De bijendans geeft ook informatie over de afstand van de voedselbron tot de bijenkast. Een
onderzoeker heeft een verband gevonden tussen het aantal waggelbewegingen per dans en
de afstand van de voedselbron tot de kast: hoe groter de afstand van de voedselbron tot de
kast, hoe groter het aantal waggelbewegingen per dans. Hiervoor heeft hij drie
verschillende bijenrassen onderzocht: Apis mellifera lamarckii, Apis mellifera ligustica en
Apis mellifera carnica. Van ieder ras onderzocht hij tien volken. Voor alle bijenvolken
waren de proefomstandigheden gelijk. In afbeelding 5 is voor ieder ras het gemiddelde
aantal waggelbewegingen per dans uitgezet tegen de afstand van de voedselbron tot de kast.
afbeelding 5 A. m. lamarckii
aantal waggel-
bewegingen
20
A. m. ligustica
A. m. carnica
10
0
0 100 200 300 400 500 600
afstand (m)
bewerkt naar: J. Gould & C. Grant Gould, De Honingbij, Maastricht/Brussel, 1992, 59
Op grond van de bovenstaande gegevens worden de volgende beweringen gedaan:
1 de drie bijenrassen verschillen in vliegsnelheid;
2 de drie bijenrassen meten op verschillende wijzen de afstand van een voedselbron tot de
kast;
3 het verband tussen het aantal waggelbewegingen per dans en de afstand van een
voedselbron tot de kast is erfelijk vastgelegd;
4 het verband tussen het aantal waggelbewegingen per dans en de afstand van een
voedselbron tot de kast is het gevolg van een leerproces.
2p 4 Welke van deze beweringen is op grond van bovenstaande gegevens juist?
A bewering 1
B bewering 2
C bewering 3
D bewering 4
Over de manier waarop een bij - die een voedselbron heeft ontdekt - de afstand van de
voedselbron tot de kast bepaalt, formuleert een onderzoeker de volgende
onderzoekshypothese:
De inspanning die de honingbij verricht bij het vliegen van de kast naar een voedselbron, is
voor de bij maatgevend voor de afgelegde afstand.
Om dit te onderzoeken heeft hij de beschikking over zogeheten voedertafels en een groot
aantal gemerkte bijen van het ras Apis mellifera lamarckii die getraind zijn op het
verzamelen van voedsel op speciale voedertafels. De bijenkast staat op een helling. De
helling omhoog vliegen kost een bij meer inspanning dan de helling omlaag vliegen. In de
bijenkast kan de onderzoeker de bijendans waarnemen.
3p 5 - Beschrijf de opzet van een experiment waarmee hij zijn onderzoekshypothese kan toetsen.
- Beschrijf een mogelijk resultaat dat zijn hypothese bevestigt.
300010 28 4 Lees verder