Kenmerkende aspecten:
De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in
de Griekse stadstaat
De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur
De groei van het Romeinse Imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur verspreidde in
Europa
De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van
Noordwest-Europa
De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische
godsdiensten
, Paragraaf 2.1 Wetenschap en politiek in de Griekse stadstaat
Kenmerkende aspecten: De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over
burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat.
De Griekse wereld was toen groter dan nu, maar er was geen 1 Griekenland, maar er waren
150 verschillende Griekse stadstaten (poleis). Elke stadstaat heeft een eigen bestuur, eigen
wetten en een eigen leger, autarkisch. Er waren verschillende bestuursvormen:
1. Monarchie (erfelijk): Staatsvorm waarbij de macht bij 1 persoon ligt en waarbij
bijvoorbeeld de monarch op een legitieme manier aan de macht is gekomen
2. Tirannie (niet erfelijk): Staatsvorm waarbij de macht bij 1 persoon ligt en
waarbij door middel van geweld die persoon aan de macht is gekomen,
dictatuur (regeert ook met geweld)
3. Aristocratie (erfelijk): Regering van de adel (rijke mensen) regeren het land.
4. Oligarchie (niet erfelijk): Een kleine groep mensen (slimme mensen) die niet
persé van adel zijn regeren het land.
l> Bij deze bestuursvormen had het volk geen invloed op wie er aan de macht was.
5. Democratie: regering wordt bepaald door de burgers. Je moest een burger
zijn om mee te kunnen stemmen. Alleen mannen die oorspronkelijk Grieks
waren mochten meestemmen. Niet kinderen, niet vrouwen, niet slaven en
niet de mensen die alleen in een Griekse stadstaat kwamen wonen. Athene
was de eerste democratie er moesten minimaal 6000 mensen aanwezig zijn
voor een besluit.
Mensen die de democratie in Athene geen goed idee vonden:
- Socrates zei dat politici het volk naar de mond praatten en niet de waarheid spraken.
- Plato had kritiek op de democratie, omdat mensen geen verstand hadden en ze
meegingen in wat de rest van de mensen stemde.
- Aristoteles was minder negatief en zei dat de democratie alleen werkte wanneer
politici de burgers niet lieten leiden door eigenbelang en willekeur, dat gebeurde wel
bij een tirannie en aristocratie.
Filosofen: proberen de wereld te verklaren op een rationele manier (met het verstand). Ze
vertrouwden niet meer op de goden, maar ze zochten zelf uit waar iets vandaan kwam of
hoe iets ontstond.
Dat was het begin van de wetenschap, ze hielden zich bezig met bijvoorbeeld met
geneeskunde, wiskunde (Pythagoras), scheikunde, natuurkunde en politiek.
l> zo ontstond een Griekse beschaving met aan de ene kant de wetenschap en aan de
andere kant de verschillende bestuursvormen. De Griekse beschaving breidde zich steeds
meer uit. Toen het Griekse vaste land steeds meer dichtbevolkt werd ontstonden er koloniën
en zo breidde de Griekse cultuur verder uit.
Later werd het vaste land van de Grieken overgenomen door Macedonië. Alexander de
Grote verspreidde de Griekse cultuur naar het oosten en dat noemde we het Hellenisme.