Samenvatting: “Van leertheorie naar onderwijspraktijk” blz. 174 – 192:
§7.1:
Ontstaan en organisatie van het geheugen:
Geheugensporen:
Biochemische sporen die als gevolg van waarnemingen ontstaan.
Kunnen helpen bij overdracht geheugeninhouden van organismen.
Geheugensporen zijn sporen van begrippen die met elkaar geasscocieerd worden.
Bijv. Bokito gorilla ontsnapping Blijdorp Rotterdam.
Sporensystemen = verzameling geheugensporen.
-Hoe vaker een spoorsysteem wordt geactiveerd, hoe makkelijker inhoud eruit kan worden
teruggeroepen.
-Spoorsystemen die niet/nauwelijks geactiveerd worden, worden alsmaar minder actief,.
§7.2.1:
Een model voor informatiebewerking:
Declaratief (expliciet) geheugen Maakt bewust beleven van opgeslagen kennis
(begrippen, feiten, betekenissen enz.). mogelijk.
Niet-declaratief (impliciet) geheugen Skill-learning (=door herhaling en in kleine stapjes
(fietsen, leren lezen, tenissen enz.). aanleren van bepaalde motorische taken.
§7.2.2:
Codeerproces; van waarneming naar opslag van informatie.
Het codeer- en decodeerproces.:
1. Selectief waarnemen (opmerkzaamheidsfase).
2. Opname in geheugen/coderen (opnamefase).
3. Geheugenopslag (geheugenfase).
Het proces:
Waarneming sensorisch register (in kortetermijngeheugen (=KTG)) centrale zenuwstelsel.
-Selectie/reductie van informatie.
Kortetermijngeheugen = -Codering vindt hier plaats; informatie naar KTG of LTG?
-Gemiddeld 18 sec. lang onthouden.
-5 a 7 elementen onthouden.
Chunks = Clusters van informatie (bijv. telefoonnummer in groepjes van 2 opsplitsen)
Door chunking kan je ‘meer’ elementen opslaan in KTG.
Coderingsproces van KTG naar LTG:
-Sla woorden als begrippen op.
-Vereenvoudigingen aanbrengen.
-Schematiseren.
-Mnemonische technieken (ezelsbruggetjes e.d.).
-Relaties leggen.