Materieel belastingrecht (heffingswetten): Heffingswetten bevatten de regels om de omvang
van de belastingschuld vast te stellen: belastingplicht, heffingsgrondslag en tarief. In andere
woorden: wie voor wat en voor hoeveel wordt belast. Een voorbeeld is de IB.
Formeel belastingrecht (algemene belastingwetten): Het formeel belastingrecht beschrijft
daarentegen het geheel van regels ter verwezenlijking van het materiële belastingrecht. De
algemene belastingwetten hebben gemeen dat zij tal van onderwerpen regelen die voor elke
belastingsoort van belang zijn: de wijze van heffing, de rechtsbescherming en
invorderingsbevoegdheden. Oorspronkelijk stonden formele bepalingen in diverse
heffingswetten, versnipperd en onoverzichtelijk. Vanaf de 2e wereldoorlog heeft echter een
grootschalige algemene herziening plaatsgevonden, waardoor het formeel belastingrecht is
gescheiden van het materieel belastingrecht. Het formeel belastingrecht is nu voornamelijk
opgenomen in:
o Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR): heffingstechnieken,
controlebevoegdheden, boeteopleggingsbevoegdheden, rechtsbescherming van de
belastingplichtige en het fiscale strafrecht en procesrecht.
o Algemene wet bestuursrecht (Awb): algemene bepalingen over bezwaar en beroep.
o Invorderingswet 1990: incassobevoegdheden.
- Dus al het niet-materiële belastingrecht, dus al het belastingrecht dat ergens anders dan in de
heffingswetten wordt geregeld, wordt formeel belastingrecht genoemd, zelfs als hier niks
formeels aan is, zoals het materiële strafrecht.
Heffingssystemen
Een belastingschuld is een uit de wet voortvloeiende publiekrechtelijke verbintenis. Uit de
heffingswetten kan worden afgeleid hoe groot deze belastingschuld is bij de in de wet omschreven
omstandigheden: de materiële belastingschuld. Dit leidt echter niet tot een rechtens afdwingbare
betalingsverplichting, daar is het formele belastingrecht voor nodig en zo zeggen we ook wel dat het
materiële belastingschuld moet worden 'geformaliseerd’, ook wel heffen genoemd. Hierdoor wordt de
reeds bestaande materiële belastingschuld vastgesteld en ontstaat een afdwingbare
betalingsverplichting. Er worden 2 basismethoden van heffing onderscheiden: aanslagbelasting en
aangiftebelasting. Of een bepaalde belasting een aangiftebelasting of een aanslagbelasting is, wordt in
de desbetreffende heffingswet bepaald. Een voorbeeld is Art. 9.1 Wet IB dit bepaald dat de
inkomstenbelasting bij wege van aanslag wordt geheven.
Aanslagbelasting H3 AWR
Volgens art. 11 lid 1 AWR wordt aanslag vastgesteld door een inspecteur en dus ligt de nadruk hier op
de zijde van de overheid. Het gaat hier meestal om complexere belastingen, waardoor de
belastingplichtige niet deskundig genoeg wordt geacht om tot een juiste heffing te komen. Nadat de
aanslag is vastgesteld door de inspecteur, ontstaat er een betalingsverplichting. De inspecteur wordt
daarbij geacht de aangifte van de belasting- of inhoudingsplichtige te hebben bezien. Pas vanaf dat
moment kan de belastingplichtige tot betaling van de schuld worden gedwongen. De inspecteur heeft 3
jaar na het ontstaan van de materiële belastingschuld de gelegenheid een aanslag vast te stellen (art. 11
lid 3 AWR). Een te laat opgelegde aanslag is vernietigbaar, maar niet nietig. De belastingplichtige zal dus