INTERCULTURELE
DIVERSITEIT
, Hoofdstuk 1.3
competenties→combinatie van kennis, houding en gedrag.
interculturele sensitiviteit→wanneer je in staat bent om rekening te houden met
andermans normen en waarden. Je moet ook letten om
non-verbaal gedrag om de normen en waarden te vinden.
interculturele communicatie→het vermogen om manieren te vinden waarmee je op
een effectieve manier een boodschap kunt
overbrengen aan mensen uit een andere cultuur.
bevorderen van betrokkenheid→het vermogen om samenwerking tussen mensen uit
andere culturen te stimuleren.
, Hoofdstuk 1.4
cultuur→alle aangeleerde gedragsregels, kenmerken en gewoontes van een groep
die omschrijven wat is toegestaan en wat verboden is en waaraan alle
leden zich openlijk aan houden.
menselijk natuur→het vermogen dat mensen hebben om gevoelens van liefde,
angst, vreugde, verdriet en boosheid te voelen.
dominante cultuur→de waarden en normen die door de meeste mensen worden
aanvaard.
subcultuur→als groepen naast de dominante cultuur een eigen cultuur hebben
waarvan sommige normen en waarden afwijken van de dominante
cultuur.
jeugdcultuur→jongeren zetten zich vaak af van de maatschappij en vormen daarbij
een eigen subcultuur.
tegencultuur→een stroming die zich vrijwillig tegen de dominante cultuur keert.
Symbolen: zijn het meest oppervlakkig en staan voor woorden,
gebaren, afbeeldingen of voorwerpen met een betekenis die
alleen begrepen wordt door leden van het cultuur.
Helden: personen met eigenschappen die in een cultuur hoog in
aanzien staan en daarom fungeren als gedragsmodellen.
Rituelen: collectieve activiteiten die technisch overbodig zijn. Ze
zijn alleen essentieel in sociaal opzicht. Deze activiteiten worden alleen verricht
omwille van zichzelf.
Waarden: opvattingen die ten grondslag liggen aan de aangeleerde cultuurcodes.