Politiek: is het maken van regels en het nemen van besluiten die te maken hebben met het besturen
van een land, een provincie of een gemeente.
Politici: vertegenwoordigen de bevolking bij het nemen van politieke besluiten.
Politieke besluitvorming: is de manier waarop politici besluiten nemen.
Ambtenaren: zijn mensen die veel verstand hebben van kwesties waarover politici moeten beslissen.
Overheid: wordt gevormd door alle politici en ambtenaren samen.
Overheidsbeleid: is het geheel van regels en afspraken die politici maken.
Verzorgingsstaat: is een land waar de overheid de burgers helpt als het nodig is.
Algemeen belang: gaat over zaken die voor heel veel mensen belangrijk zijn omdat ze er voordeel
van hebben of er gebruik van maken.
Maatschappelijk probleem of vraagstuk:
- Gaat altijd om een sociaal probleem.
- Er bestaan verschillende meningen over de oorzaken en de mogelijke oplossingen.
- Het krijgt veel aandacht in de media.
- Kan vaak het beste worden opgelost door de overheid in samenwerking met burgers en
organisaties.
Waarden: zijn de principes of uitgangspunten die je belangrijk vindt in het leven.
Normen: zijn regels die bepalen hoe jij en anderen zich moeten gedragen.
Belangen: zijn de voor- of nadelen die je ergens van hebt.
Belangentegenstelling: het belang van de een botst met het belang van de ander.
Macht: is de mogelijkheid om het gedrag van anderen te beïnvloeden.
Machtsmiddelen: zijn de middelen waarmee je het gedrag van anderen kunt beïnvloeden.
Politieke agenda: omvat de onderwerpen waarover politici voortdurend met elkaar praten.
Dilemma: een lastige keuze tussen twee dingen die allebei voordelen of juist nadelen hebben.
, Begrippen hoofdstuk 2 blz. 26
Rechtsstaat: is een land waar de rechten en plichten van de burgers en van de overheid zijn
vastgelegd.
Grondwet: hierin staan de belangrijkste rechten en plichten van de burgers precies omschreven, net
als de bevoegdheden van de overheid.
Grondrechten: de belangrijkste rechten van burgers die in onze samenleving gelden.
Artikel 1 van de grondwet: allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk
behandeld.
Rechtsbescherming: burgers worden beschermd tegen een te grote overheidsmacht en tegen
willekeur door de overheid.
Democratie: een staatsvorm waarbij burgers invloed hebben op de besluiten van de politici.
Recht: geeft aan wat je mag doen of waar je recht op hebt.
Plicht: bepaalt wat je moet doen.
Parlement: de Eerste en Tweede Kamer.
Trias politica: de scheiding van de politieke macht in drie onderdelen (de wetgevende, uitvoerende
en rechterlijke macht).
Wetgevende macht: stelt wetten vast waaraan burgers en de overheid zich moeten houden.
Uitvoerende macht: zorgt ervoor dat eenmaal goedgekeurde wetten worden uitgevoerd.
Legaliteitsbeginsel: iedere handeling van de overheid moet gebaseerd zijn op een wet.
Rechterlijke macht: beoordeelt of wetten goed worden nageleefd en doet uitspraak in conflicten.
Dictatuur: een land waar de macht in handen van één persoon, een kleine groep mensen of één
partij is.
Censuur: de machthebbers houden vooraf toezicht op de media.