HOORCOLLEGES
WA1 Oriëntatie op de Anatomie en Fysiologie
WA2 De Cel
WA3 Celdeling en Erfelijkheid
WA3 Weefsels / Histologie
WA4 Embryogenese
WA5 Zenuwweefsel
WA6 Spierweefsel
WA7 Het Oor / Horen en het Evenwicht
WA9 Spijsvertering
WERKCOLLEGES
Anatomie & Fysiologie Reader
LITERATUUR
WA1 Martini Hfd 1
o een overzicht geven van de doelstellingen en inhoud van anatomie en fysiologie
o de mogelijkheden en de beperkingen van de verschillende reductieniveaus in de anatomie en
fysiologie weergeven
o beschrijven welke functies noodzakelijk zijn voor het leven
o uitleggen wat met homeostase wordt bedoeld
o uitleggen wat met negatieve en positieve terugkoppeling wordt bedoeld
o doorsneden, lichaamsdelen en hun onderlinge posities aan de hand van anatomische termen
beschrijven (figuur 1.6 en 1.7 hoeven niet, de rest wel);
o de begrippen diffusie en osmose toepassen op de verplaatsing het kamerwater
WA2 Martini Hfd 2 & 3
o weergeven wat de functie van de cel in het menselijk lichaam is;
o de bouw en functies van cellen weergeven;
o de bouw en functies van het plasmamembraan weergegeven en uitleggen hoe actief en passief
transport in zijn werk gaat;
o de processen diffusie, osmose en filtratie in cellen beschrijven de fysiologische rol van deze
processen beschrijven;
o het door een dragermoleculen gemedieerde transport en vesiculair transport beschrijven en de
functionele rol van deze processen in de cellen verklaren;
o de organellen van de cel omschrijven en verklaren;
o een beschrijving geven van de proteïnesynthese
o een omschrijving te kunnen geven van de functie van DNA, mRNA, tRNA en rRNA tijdens de
twee fasen van de proteïnesynthese;
WA3 Martini Hfd 19.1 – 19.3..8
o de celtheorie beschrijven;
o de celcyclus beschrijven;
o de bouw van het DNA beschrijven;
o het proces replicatie beschrijven;
o weergeven wat het verschil is tussen chromatine, chromatide en een chromosoom;
o de terminologie van de erfelijkheid beheersen
o een beschrijving geven van groei en normale celdeling
o de oogenese en de spermatogenese beschrijven
WA3 Martini Hfd 4 (m.u.v. 4...9)
o de bouw en functies van verschillende soorten weefsels, waaronder epitheelweefsel,
bindweefsel, spierweefsel en zenuwweefsel benoemen
, o de indeling van weefsels in vier hoofdgroepen aangeven
o de karakteristieken van een weefsel benoemen
o de bouw en de functie van de verschillende soorten weefsels weergeven
o een beschrijving van de histologische bouw van de verschillende soorten weefsels geven
WA4 Martini Hfd .2 – 19.2..3 – 19.3.3
o de kenmerken van het fenomeen ontwikkeling noemen
o een algemeen overzicht geven van de eerste maand van de ontwikkeling
o de drie kiembladen en hun derivaten beschrijven
o de ontwikkeling van embryo tot foetus beschrijven
o de ontwikkeling van de afzonderlijke orgaanstelsel voor de geboorte beschrijven
WA5 Martini Hfd 8.1 – 8...11
o de functionele indeling van het zenuwstelsel uitleggen
o de indeling van de neuronen en neuroglia in bouw en functie weergeven
o aangeven wat een membraanpotentiaal is en hoe deze tot stand komt
o aangeven wat een actiepotentiaal is en hoe deze tot stand komt
o aangeven hoe de voortgeleiding van een actiepotentiaal in zijn werk gaat
o de structuur van een synaps beschrijven en beschrijven hoe een signaaloverdracht in een synaps
plaatsvindt;
o de reflexboog beschrijven;
o de bouw en werking van het autonome zenuwstelsel omschrijven;
o weten welke neurotransmitters het sympathisch en het parasympathisch zenuwstelsel gebruikt;
o IPSP en EPSP kunnen omschrijven
WA6 Martini Hfd 7.1 – 7.8
o de verschillen uitleggen tussen skeletspierweefsel, gladspierweefsel en hartspierweefsel;
o de functie van de myofibrillen en sarcomeren in het skeletspierweefsel beschrijven
o de functie van het sarcoplasmatisch reticulum in het skeletspierweefsel beschrijven
o de manier waarop spiercellen gestimuleerd worden tot een contractie beschrijven
o de sliding filament theorie beschrijven
o aangeven hoe een vloeiende beweging tot stand kan komen wanneer een skeletspier contraheert
o het verschil tussen een isotone en een isometrische en een excentrische contractie aan te kunnen
aangeven
o aangeven wat een motorunit is
o weergeven wat de rol van acetylcholine en acetylcholineesterase is.
WA7 Martini Hfd 8..1 – 9..7
o uit te kunnen leggen hoe de organisatie is van de zintuigcellen van de algemene zintuigen;
o weer te kunnen geven wat de structuur is van het buitenoor, het middenoor en het binnen
binnenoor;
o weer te kunnen geven wat de functie is van het buitenoor, het middenoor en het binnen
binnenoor;
o een omschrijving te kunnen geven van de weg die het geluid gaat naar het binnenoor toe;
o weer te kunnen geven welke weg het geluid volgt in de vloeistof van het binnenoor;
o weer te kunnen geven hoe de weg is die het signaal gaat van het orgaan van corti naar de
temporale cortex;
o weer te kunnen geven hoe het mogelijk is dat men de richting van het geluid weet vast te stellen;
o weer te kunnen geven hoe het evenwichtsorgaan meehelpt aan het behouden van het evenwicht
in statische en in dynamische situaties;
o weer kunnen geven hoe de vestibulo-oculair reflex werkt.
WA9 Martini Hfd 16.1 – 16.7
o aangeven wat het doel van de tractus digestivus is
o aangeven waaruit het spijsverteringskanaal en de bijbehorende spijsverteringsorganen bestaan;
o aangeven wat de functies van de maag zijn
o aangeven wat de bijzondere kenmerken van de bouw van de maagwand ten opzichte van de
algemene bouw van de wand van het spijsverteringskanaal zijn
o aangeven wat de functies van de lever zijn
TENTAMEN
WA8 Proeftoets
WA10 Testvisiontoets (Digitale Toets / 60 MC vragen
, ANATOMIE EN FYSIOLOGIE – MARTINI
Hoofdstuk 1 – Inleiding p.3
1.1 De gemeenschappelijke functies van alle levende wezens
Reactievermogen
o Reageren op veranderingen in de onmiddelijke omgeving
o Wordt ook prikkelbaarheid genoemd
o Aanpassingsvermogen – landurig veranderen om aan te passen aan omgeving (bijv
dikkere vacht in winter)
Groei
o Cellen – bouwstenen van het leven
o Differentiatie – cellen specialiseren zich voor bepaalde functies
Voortplanting
Beweging
o Inwendig – transport van voedingsstoffen, bloed, enz
o Uitwendig – voortbeweging door omgeving
Stofwisseling (Metabolisme)
o Alle chemische reacties in het lichaam voor…
Leveren van energie (nodig voor het reactievermogen, de groei, de
voortplanting, en de beweging)
Respiratie – verbruik van zuurstof door cellen
Uitscheiding – bij stofwisselingsreacties onstaan vaak afvalstoffen die uit het
lichaam worden verwijderd.
Spijsvertering – complexe voedings worden afgebroken tot kleinere
bestanddelen die kunne worden getransporteerd en opgenomen.
1.2 Anatomie en Fysiolgie
Anatomie – studie van inwendige en uitwendige structuren en de fysieke relaties tussen lichaamsdelen
(Gr – ‘opensnijden’)
Macroscopische Anatomie – kenmerken die met het blote oog zichtbaar zijn worden
onderzocht.
o Uitwendige – oppervlakte bestuderen
o Regionale – oppervlakte- en inwendige structuren in een bepaald gebied van het
lichaam (bijv het hoofd, hals of romp) bestuderen
o Systemische – de structuur van orgaanstelsels bestuderen
Orgaanstelsels – een groep organen die samen op gecoördineerde wijze
functioneert.
Bijv: Cardiovasculaire systeem – hart, bloed en bloedvaten
Microscopische Anatomie – structuren die niet zonder vergroting zichtbaar zijn worden
bestudeerd.
o Cytologie – bestuderen van cellen
o Histologie – bestuderen van weefsels
Weefsels – groepen gespecialiseerde cellen en celproducten die samenwerken
Verschillende weefsels vormen samen organen
Fysiologie - de studie van de manier waarop levende organismen hun vitale functies verrrichten.
Celfysiologie – het bestuderen van het functioneren van levende cellen
Orgaanfysiologie
o Nierfysiologie
o Hartfysiologie
Systeemfysiologie – bestuderen van alle aspecten van het functioneren van specifieke
orgaanstelsels (bijv ademhalingstelsel of voortplantingsstelsel)
Pathofysiologie – bestuderen van de effecten van aandoeningen op het functioneren van
organen of stelsels. (‘pathos’, ziekte)
,1.3 De verschillende organisatieniveaus
Organisatiesniveaus (van submicro tot macro)
Chemisch Niveau
o Atomen – de kleinste stabiele bouwstenen van de materie
o Moleculen – verbonden atomen
Celniveau
o Cellen – de kleinste levende eenheden in het lichaam
Weefselniveau
o Weefsel – cellen van hetzelfde type die samenwerken om een specifieke functie uit te
voeren.
Orgaanniveau
o Orgaan – twee of meer verschillende weefsels die samenwerken om een specifieke
functie uit te voeren
Orgaanstelselniveau
o Oorganstelsel – organen die samen werken voor een bepaalde functie
Organismenniveau
1.4 Het menselijk lichaam bestaat uit elf orgaanstelsels (zie pag. 9-12)
Figuur 1-2*
1. Huid
Beschermt het lichaam tegen gevaren vanuit de omgeving; speelt een rol bij het
reguleren van de lichaams-temperatuur.
2. Beenderstelsel / Skelet
Biedt ondersteuning, beschermt weefsels, is opslagplaats voor mineralen en vormt
bloedcellen
3. Spierstelsel
Maakt beweging mogelijk, zorgt voor stevigheid en produceert warmte.
4. Zenuwstelsel
Maakt onmiddelijke reactie op prikkels mogelijk, meestal door het coördineren van de
activiteiten van andere orgaanstelsels.
5. Endocriene stelsel
Reguleert langdurige veranderingen in de activiteit van andere orgaanstelsels.
6. Cardiovasculaire stelsel
Transporteert cellen en opgeloste stoffen, evenals voedingsstoffen, afvalstoffen en
gassen.
7. Lymfestelsel
Verdedigt tegen infecties en ziekten en zorgt voor terugkeer weefselvocht naar de
bloedsomploop.
8. Ademhalingsstelsel
Transporteert lucht naar plaatsen waar gaswisseling plaatsvindt tussen de buitenlucht
en het circulerende bloed, en produceert geluid.
9. Spijsverteringstelsel
Verwerkt voedsel, neemt voedingsstoffen op en verwijdert afvalstoffen.
10. Urinairestelsel
Verwijdert overtollig water, zouten en afvalstoffen.
11. Voortplantingstelsel
Man: produceert geslachtcellen en hormonen
Vrouw: produceert geslachtcellen en hormonen, ondersteunt embryonale en foetale
ontwikkeling van bevruchting tot geboorte
,1.5 Homeostase
Homeostase = het streven naar intern evenwicht (homeo, onveranderlijk + stasis, stilstand)
Receptor – gevoelig voor een bepaalde verandering in de omgeving, oftewel een prikkel
(stimulus)
Besturingscentrum / Integratiecentrum – ontvangt en verwerkt informatie van de receptor
Effector – een cel of orgaan die reageert op de signalen van het besturingscentrum en waarvan
de werking de prikkel tegengaat of versterkt
Negatieve Terugkoppeling – een variatie buiten de gewenste spreiding wekt een automatische reactie
op, waardoor de situatie wordt gecorrigeerd.
Een effector die door het besturingscentrum wordt geactiveerd heeft een effect dat tegengesteld
is aan de oorspronkelijke prikkel.
1.6 Negatieve terugkoppeling gaat afwijkingen ten opzichte van de normwaarden tegen, terwijl
positieve terugkoppeling deze versterkt.
1.6.1 Negatieve Terugkoppeling
Kenmerk: Ongeacht of de prikkel bij de receptor toeneemt of afneet, wekt een variatie buiten de
normale grenzen een automatische reactie op waardoor de situatie wordt gecorrigeerd.
De meeste homeostatische mechanismen in het lichaam werken volgens negatieve terugkoppeling.
Warmteregulatie – het wijzigen van de relatie tussen warmteverlies en warmteproductie
,Note: Fysiologische waarden worden als gemiddelde waarden weergegeven.
Bijv. de ‘normale’ lichaamstemperatuur is tussen 36,7C en 37,2C, maar dat is niet altijd zo.
1.6.2. Positieve Terugkoppeling
Kenmerk: De aanvankelijke prikkel brengt een reactie teweeg waardoor die prikkel wordt versterkt.
In het lichaam is positieve terugkoppeling betrokken bij de regulering van gevaarlijke of belastende
processen die snel moeten worden voltooid.
Klinische Aantekening: Homeostase en Ziekte
Wanneer homeostatische regulering tekortschiet, functioneren organstelsels niet
langer goed en de betrokkene zal de symptomen van ziekte ervaren.
Symptomen – subjectief, dingen die iemand ervaart en beschrijft, maar die
verder niet vindbaar of meetbaar zijn (pijn, angst, misselijkheid)
Aanwijzing – objectief waarneembare/meetbare fysieke indicatie voor een
ziekte (huiduitslag, zwellin, koorts, etc)
,1.7 Anatomische termen beschrijven gebieden van het lichaam, anatomsiche
houdingen en richtingen en lichaamsdelen
1.7.1 Uitwendige Anatomie
Anatomische Oriëntatiepunten
Anatomische beschrijvingen hebben betrekking op een mens in de anatomische positie:
staand, met de handen langs het lichaam, de handpalmen naar voren en de voeten bij
elkaar.
Anatomische Gebieden
Voor plaatsbepaling van belangrijk gebieden gebruiken clinici vaak meer gedetailleerde
omschrijvingen.
Anatomische Richtingen (Figuur 1-8*) p.19
Term Gebied of Referentie Voorbeeld
Anterior De voorkant; voor
Ventraal De buikzijde (synoniem aan anterior bij het De navel bvindt zich aan de ventrale
menselijk lichaam) (anterior) zijde van de romp.
Posterior De achterzijde, achter
Dorsaal De rugzijde (synoniem aan posterior bij het Het schouderblad bevindt zich dorsaal
menselijk lichaam) (posterior) ten opzichte van de thorax.
Craniaal of Het hoofd De craniale of cefale rand van het
Cefaal bekken bevindt zich boven de dij.
Superior Boven, op een hoger niveau De neus bevindt zich superior ten
opzichte van de kin.
Caudaal De staart (coccyx bij de mens) De heupen bevinden zich caudaal ten
opzichte van de schouders.
Inferior Onder, op een lager niveau De knieën bevinden zich inferior ten
opzichte van de heupen.
Mediaal In de richting van de lengteas van het De mediale oppervlakken van de dijen
lichaam kunnen tegen elkaar aan worden
gebracht; als de handen zich mediaal
over de borstkas verplaatsen, komen ze
bij het sternum uit.
Lateraal In buitenwaartse richting weg van de De zij scharniert met het laterale
lengteas van het lichaam. oppervlak van het bekken (pelvis); als
de handen zich lateraal vanaf de neus
verplaatsen, komen ze bij de ogen uit.
Proximaal In de richting van een aanhechtingspunt De dij (thigh) bevindt zich proximaal
ten opzichte de voet; door in proximale
richting te bewegen vanaf de pols kom
je bij de elleboog uit.
Distaal In de richting weg van een De vingers bevinden zich distaal ten
aanhechtingspunt opzichte de pols; door een distale
beweging vanaf de elleboog kom je bij
de pols uit.
Oppervlakkig Bij, nabij of betrekkelijk dicht bij de De hoofdhuid is oppervlakkig gelegen
Gelegen buitenkant van het lichaam. ten opzichte van de schedel.
Diep Gelegen Verder verwijderd van de buitenkant van Het bot van de dij light diep ten
het lichaam. opzichte van de omringende
skeletspieren.
, Anatomie van Doorsneden
Figuur 1-9 (p.20)
Vlak Oriëntatie van het vlak Omschrijving
Transversaal Loodrecht op lengteas Een transversale of horizontale doorsnede scheidt een
of Horizontaal bovenste en onderste gedeelte van het lichaam.
Sagittaal Parallel aan lengteas Een sagittale doorsnede scheidt een linker- en
rechtergedeelte.
Midsagittaal Bij een midsagittale doorsnede loopt het vlak door de
middenlijn, waardoor het lichaam door het midden
wordt gedeeld en de linker- en rechterhelft worden
gescheiden.
Frontaal of Een frontale of coronale doorsnede scheidt een
Coronaal ventraal en dorsaal gedeelte van het lichaam;
coronaal heeft meestal betrekking op doorsneden
door het hoofd.