Samenvatting van alle lessen in blok 2B
(met uitzondering van CASP, BFO en WCO (ivm irrelevantie)
Bevat wel:
- ANA.CO.1
- BMD.CO.2,3,4
- RCA.CO.1,2,3 + RCA.V.1-5(+handleiding) + RCA.PGOL
- REANIMATIE CO + V
- HUFysiotherapie
,ANA.CO.1 Het Ademhalingsbewegingsaparaat (uitgewerkt)
1. Functionele anatomie van het ademhalingsstelsel
Ademhalingsorgaan (longen + luchtwegen)
Ademhalingsbewegingsapparaat = alle componenten van het houdings- en bewegingsapparaat die
bijdragen aan de ademhaling.
- Thorax (met longen) = 2/3
o (madiastinum, pleuraholte, pericardholte) “pleuramechanisme” = 2/3
-
o Trachea =5
o Bronchieen =5
o Alveoli =5
Longkwabben (+ hun ligging en aantal) =4
Longsegmenten =4
2. Ligging van longen in thorax
Thorax zit om de longen = kooi = bescherming
- Met vertebrae/wk, costae/rib en sternum/borstbeen
- Met costovertebrale verbindingen (met kraakbeen aan elkaar voor beweging)
- Met costosternale verbindingen (met kraakbeen aan elkaar voor beweging)
- Met intercostale spieren (om ribbenkast af te sluiten en om te bewegen)
- Met diafragma = bindweefselplaat met spiervezels (om borstholte van buikholte te scheiden
en zorgt dat borstholte kunt vergroten)
In de borstholte (= cavum thoracis) zitten:
- 2 cavum pleurae = pleuraholten = longvliesholten, zitten je longen in
- 1 pericardholten = hartzak, waar hart in zit
- Mediastinum = met slokdarm/aorta/onderste holle ader/wervelkolom
Wordt wel aan hart getrokken als je ademhaalt, maar heb je geen last van. Zijn sterk genoeg.
En bouw en functie van de pleura en pleura-holte uitleggen
De longen bewegen met de thorax mee. Bestaat uit 2 vliezen:
- 1 tegen longoppervlak en 1 tegen de ribben aan (met druppel vocht zodat ze plakken).
1. Pleura visceralis = longoppervlak (binnen)
2. Pleura parietalis = thoraxwand (buiten)
Met daartussen de Cavum pleurae = pleuraholte
- Die 2 lagen liggen tegen over elkaar. Om die 2 lagen van
elkaar af te halen = gaat moeizaam omdat er vocht in
die holte (pleuraholte) zit. Dat vocht zorgt ervoor dat
het ene vlies bij het andere vlies blijft.
Longen bewegen met de ribben/thoraxwand mee, tenzij je een
klaplong hebt. Komt er lucht in de long vanuit buitenaf, doordat er een gat in de pleura zit. Dan komt
er lucht tussen die 2 vliezen en klapt de long in elkaar.
- Welke vorm de ribben/thorax aanneemt, de pleura en pleuraholten bewegen altijd mee.
o Behalve bij dus klaplong.
3. Verschil uitleggen tussen thoraxholte, pleuraholte en mediastinum en is bekend met
‘pleuramechanisme’. Zie hierboven.
, 4. Onderscheid tussen longkwabben/kwabsbronchiën en longsegmenten/segementale
bronchiën (aantal en globale ligging)
5. Anatomie van trachea, bronchiën en alveoli
Thrachea = hoofdluchtpijp
- Luchtwegslijmvlies
- trilhaarepitheel
Bronchien = hoefijzertjes van kraakbeen (niet dichte ringetjes)
- Gaan vertakken tot generaties
- Hoofdbronchiën stuurt aan naar elke long
o Bifurcatie = hoofdbronchus die zich vertakken aan
onderkant van trachea.
- Rechts 3 kwabsbronchiën en links 2.
o Superior (2), inferior (2), medius (1)
- Vanuit kwabsbronchien vertakken ze in segmentale bronchien met 10 in de rechterlong en 9
in de linkerlong.
Links steeds minder ivm het hart.
Na de segmentale bronchiën heb je nog
16 generaties aan bronchiën, met aan
het einde longblaasjes/alveoli voor
uitwisseling.
- 9 generaties met kraakbeen
- Dan bronchioli zonder kraakbeen
Kraakbeen = bescherming en houdt
luchtwegen open. (normaal bouw je druk
op in je longen als je wil ademen, door
kraakbeen druk je hiermee de wegen niet
dicht)
Alveoli = longblaasjes waar
zuurstofuitwisseling plaatsvind.
Heel klein deel dat je inademt bereikt ook echt de
longblaasjes/alveoli na de 16 generaties van
vertakkingen.
Bij dode ruimte vindt geen uitwisseling plaats. Pas in
alveoli is er een respiratoir oppervlak waar uitwisseling
kan plaatsvinden.
Hilis = longtop = hilis pulmonis = plaats waar bronchiën, longslagaderen, hoofdbronchus en zenuwen
in de long naar binnen treden, en waar de longaderen (lymfevaten) naar buiten komen.
, 6. Welke werking hebben de betreffende onderdelen in het kader van ademhalen (en bij
persen + tillen).
Borstademhaling:
- = ribben omhoog/elevatie = inademen/inspiratie
o Ribben omhoog thoraxholte vergroot = descensus
o Gaat actief
- = ribben omlaag/detractie = uitademen/expiratie
o Ribben omlaag thoraxholte verkleind = ascensus
o Gaat actief en passief (Fz en elasticiteit longen/thoraxwand)
Buikademhaling: (met behulp van diafragma)
- = middenrif omlaag = inademen
o Middenrif omlaag thoraxholte vergroot
o Gaat actief
- = middenrif omhoog = uitademen (gaat ook vaak passief)
o Middenrif omhoog thoraxholte verkleind
o Gaat actief en passief (ontspanning van middenrif/diafragma)
8. Werking + functie van diafragma (bij ademhaling + bij buikpersmechanisme)
9. Werking buikpersmechanisme, in welke omstandigheden is het functioneel en welke
spieren zijn daarbij betrokken
- Buikademhaling = als diafragma buik
naar beneden duwt, kan geen kant op en
gaat naar voren toe, dus zie je de buik
bewegen terwijl je eigenlijk je longen
volpompt = hoog/laag diameter =
cranio/caudale diameter
o Diafragma kan maar 1 kant op
bewegen. En dat is naar beneden. Druk in
borstholte verlaagd op het moment dat je
de holte groter maakt.
Diafragma kan middenrif omlaag laten bewegen. Hierdoor wordt borstholte groter.
, 10. Bewegingsmogelijkheden van rib/wervelverbinding en borstbeen/ribverbindingen
= rib/wervel = costovertebrale verbindingen
= borstbeen/rib = sternocostale verbindingen
Adhv ribben die vastzitten aan het borstbeen = sternocostale verbindingen
- borstademhaling = bovenste ribben
naar voren uitzetten zodat volume van
borstholte vergroot en
ademhalingsreactie plaatsvind =
voor/achterwaartse diameter
- Flankademhaling = lagere ribben
zetten uit naar opzij zodat volume =
links/rechts diameter
Kortom:
- Borstademhaling = voor/achterwaartse diameter (hoog = craniaal)
- Flankademhaling = links/rechts diameter (onderste ribben)
- Buikademhaling = diafragma naar beneden verplaatsen = buik dik vergroting borstholte =
cranio/caudale diameter
,Rib zit niet alleen aan het sternum, maar ook aan de vertebrae. = costovertebrale verbindingen.
Met uiteinde van rib (= caput costae) tegen corpus van
de wervel. Zit met andere gedeelte van de rib (= collum
costae) tegen de proc. Transversus van wervel aan (dit
ligament zorgt dat rib niet kan verplaatsen, maar alleen
een beetje kan draaien om zijn lengte-as).
Dit zorgt voor typische bewegingsverloop, waardoor rib lijkt te draaien. Met een speciale as van
beweging, diagonaal.
o Hoog thorcaal loopt de as van links naar
rechts (as is bijna frontaal)
o Laag thoracaal loopt hij diagonaal (bijna)
van voor naar achter (as is bijna sagitaal)
gecombineerde as van beweging
sagitale as
a. Ligging, bouw en functie van intercostale, sternocostale en vertebrocostale spieren
Intercostale spieren = tussenribspieren = sluiten kooi/ribben af en zorgen voor in/uitademing
b. Ligging, bouw en functie van andere spieren
Scaleni = elevatie van 1e rib = inspiratie
Sternocleidomastoideus = elevatie van 1e rib = inspiratie
Pectoralis major en minor = elevatie = inspiratie (bij fixatie scapula/armen in je nek)
Serati posterior
- Superior = inspiratie = elevatie
- Inferior = expiratie = detractie
Quadratus lumborum = detractie 12e rib = expiratie
Obliquus abdominis en rectus abdominis = detractie = expiratie
, BMD.CO.2 Gaswisseling en gastransport 2
Ademminuutvolume = frequentie x Vt
- Neemt toe bij inspanning (door frequentie te verhogen of door teugvolume te verhogen)
- In rust 6 L/ min
- Bij inspanning tot 50 l/min
Frequentie = ademhalingen per minuut
Vt = ademvolume
Inademing = borstholte zet uit en middenrif trekt samen
- holte+longen vergroot = alveolaire druk lager (lucht verplaatst
van hoog naar lage concentratie) zuigt lucht naar binnen
Uitademing = borstholte trekt samen en middenrif ontspant zich
- holte+longen verkleind = alveolaire druk hoger (lucht verplaatst
van hoog naar lage concentratie) zuigt lucht naar buiten
adhv Gaswet van Boyle: druk x volume = constant (p x V = c)
- Volume 2x zo groot = druk (p) 2x zo klein
- Volume of druk 2x zo groot = constante ½ x zo groot
Ruimte in longen kleiner = alveolaire druk hoger = luchtstroming van hoog naar laag = naar buiten
Ruimte in longen groter = alveolaire druk lager = luchtstroming van hoog naar laag = naar binnen
Drukvariaties:
- Aveolaire druk: druk in de long(blaasjes) zorgt voor die in- en uitstroom (wet van Boyle)
- Intrapleurale druk: druk in de pleuraholte (tussen de 2 vliezen in = het vocht)
o Pleura pulmonalis tegen longblaasjes aan
o Pleura thoracales tegen ribben aan
o Met vloeistoflaag ertussen (met druk)
Intrapleurale druk tussen de 2 vliezen/pleuraholten is negatief = -0,5 kPa
- Er zit vocht tussen die vliezen, hierdoor bewegen ze altijd mee met wat de borstholte doet.
De vliezen zijn elastisch en veren dus bij uitademing terug naar binnen. Maar ook in rust
hebben zij een lichte neiging naar binnen toe, maar dit gaat niet door het vloeistoflaagje.
Kracht die naar binnen werkt zorgt voor negativiteit van de druk.
o Naast deze druk naar binnen is er ook een oppervlaktespanning, die zorgt dat de
longen niet extreem naar binnen gaan. Gaat onder begeleiding van stofje
‘surfactance’, wat ontstaat tijdens baby.
- Als er beschadiging optreedt, komt er positieve druk tussen de vliezen en ontstaat er een
pneumothorax/klaplong.