Nutrition – Fysiologie 1.2
1 Understanding Normal and Clinical Nutrition
3.3 De circulatiesystemen
Nutriënten worden door het hele lichaam getransporteerd via circulatiesystemen:
1. Bloedvatenstelsel: het hart pompt bloed door het hele lichaam. Bloed neemt stoffen op, transporteert en
geeft stoffen af. Weefsels nemen nutriënten en zuurstof op uit het bloed en geven koolstofdioxide en
andere afvalproducten af. De longen zorgen voor uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide, de
spijsvertering zorgt voor de opname van nutriënten en de nieren zorgen voor het uitscheiden van alle
afvalproducten behalve koolstofdioxide. Bloed volgt de volgende route: hart-slagaders-haarvaten-aders-
hart. Bloed vanuit de dunne darm volgt een iets andere route: haarvaten (dunne darm)-poortader-
haarvaten (lever)-leverader-hart.
2. Lymfevatenstelsel: lymfe circuleert tussen de cellen en komen samen in kleine vaten. Al het lymfe komt
samen in de borstbuis, het grootste lymfevat. Lymfe komt in de bovenste holle ader in het bloed terecht.
3.4 De gezondheid en regulatie van het spijsverteringsstelsel
Het zenuwstelstel en hormoonstelsel reguleren het spijsverteringsstelsel, maar andere factoren spelen hierbij
ook een rol, zoals bacteriën.
In een gezond spijsverteringskanaal leven veel verschillende bacteriën, voornamelijk in de dikke darm, de
darmflora. Factoren als pH, peristaltiek, voedingspatroon en andere micro-organismen hebben invloed hierop.
In voeding bevinden zich bijvoorbeeld probiotica; deze veranderen de conditie van de aanwezige
bacteriekolonie in het spijsverteringskanaal dat goed is voor de gezondheid. Soms heeft het ook een negatief
effect. Bacteriën in het spijsverteringskanaal verteren ook vezels en complexe eiwitten; deze voedingsstoffen
heten prebiotica, omdat deze de groei en activiteit van de bacteriën beïnvloeden.
De regulatie van vertering is een voorbeeld van homeostase; het constant houden van interne condities van het
lichaam. O.a. het hormoonstelsel speelt hierbij een belangrijke rol. De drie belangrijkste hormonen die een rol
spelen bij de spijsvertering zijn:
- Gastrine: als voedsel in de maag komt, stimuleert het de maagwand om gastrine te produceren. Stimuleert
de maagwand om zoutzuur uit te scheiden. Wanneer de pH laag genoeg is, stopt de productie van
gastrine.
- Secretine: als de chymus in het duodenum komt, wordt secretine uitgescheiden door de wand. Stimuleert
de alvleesklier om natriumbicarbonaat uit te scheiden om de chymus te neutraliseren.
- Cholecystokinine: als vet in de dunne darm komt, produceert de wand cholecystokinine. Dit stimuleert de
galblaas om gal uit te scheiden en stimuleert de alvleesklier om alvleessap uit te scheiden, dat
natriumbicarbonaat en enzymen bevat.
5.1. Vetzuren en triglyceriden
Vetten bevatten de volgende atomen: koolstof (C), waterstof (H) en zuurstof (O). Vetten hebben meer koolstof
en waterstof in verhouding tot zuurstof, dus bevatten meer energie per gram dan koolhydraten.
- Vetzuren bestaan uit een keten van koolstofatomen met waterstofatomen en aan het ene eind een
zuurgroep (COOH) en aan het andere eind een methylgroep (CH3). Vetzuren verschillen van elkaar in de
lengte van de keten en de hoeveelheid en plaats van evt. dubbele binding(en).
1 Understanding Normal and Clinical Nutrition
3.3 De circulatiesystemen
Nutriënten worden door het hele lichaam getransporteerd via circulatiesystemen:
1. Bloedvatenstelsel: het hart pompt bloed door het hele lichaam. Bloed neemt stoffen op, transporteert en
geeft stoffen af. Weefsels nemen nutriënten en zuurstof op uit het bloed en geven koolstofdioxide en
andere afvalproducten af. De longen zorgen voor uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide, de
spijsvertering zorgt voor de opname van nutriënten en de nieren zorgen voor het uitscheiden van alle
afvalproducten behalve koolstofdioxide. Bloed volgt de volgende route: hart-slagaders-haarvaten-aders-
hart. Bloed vanuit de dunne darm volgt een iets andere route: haarvaten (dunne darm)-poortader-
haarvaten (lever)-leverader-hart.
2. Lymfevatenstelsel: lymfe circuleert tussen de cellen en komen samen in kleine vaten. Al het lymfe komt
samen in de borstbuis, het grootste lymfevat. Lymfe komt in de bovenste holle ader in het bloed terecht.
3.4 De gezondheid en regulatie van het spijsverteringsstelsel
Het zenuwstelstel en hormoonstelsel reguleren het spijsverteringsstelsel, maar andere factoren spelen hierbij
ook een rol, zoals bacteriën.
In een gezond spijsverteringskanaal leven veel verschillende bacteriën, voornamelijk in de dikke darm, de
darmflora. Factoren als pH, peristaltiek, voedingspatroon en andere micro-organismen hebben invloed hierop.
In voeding bevinden zich bijvoorbeeld probiotica; deze veranderen de conditie van de aanwezige
bacteriekolonie in het spijsverteringskanaal dat goed is voor de gezondheid. Soms heeft het ook een negatief
effect. Bacteriën in het spijsverteringskanaal verteren ook vezels en complexe eiwitten; deze voedingsstoffen
heten prebiotica, omdat deze de groei en activiteit van de bacteriën beïnvloeden.
De regulatie van vertering is een voorbeeld van homeostase; het constant houden van interne condities van het
lichaam. O.a. het hormoonstelsel speelt hierbij een belangrijke rol. De drie belangrijkste hormonen die een rol
spelen bij de spijsvertering zijn:
- Gastrine: als voedsel in de maag komt, stimuleert het de maagwand om gastrine te produceren. Stimuleert
de maagwand om zoutzuur uit te scheiden. Wanneer de pH laag genoeg is, stopt de productie van
gastrine.
- Secretine: als de chymus in het duodenum komt, wordt secretine uitgescheiden door de wand. Stimuleert
de alvleesklier om natriumbicarbonaat uit te scheiden om de chymus te neutraliseren.
- Cholecystokinine: als vet in de dunne darm komt, produceert de wand cholecystokinine. Dit stimuleert de
galblaas om gal uit te scheiden en stimuleert de alvleesklier om alvleessap uit te scheiden, dat
natriumbicarbonaat en enzymen bevat.
5.1. Vetzuren en triglyceriden
Vetten bevatten de volgende atomen: koolstof (C), waterstof (H) en zuurstof (O). Vetten hebben meer koolstof
en waterstof in verhouding tot zuurstof, dus bevatten meer energie per gram dan koolhydraten.
- Vetzuren bestaan uit een keten van koolstofatomen met waterstofatomen en aan het ene eind een
zuurgroep (COOH) en aan het andere eind een methylgroep (CH3). Vetzuren verschillen van elkaar in de
lengte van de keten en de hoeveelheid en plaats van evt. dubbele binding(en).