Nutrition – Voeding 1.2
1. Understanding Normal and Clinical Nutrition
4.1. Koolhydraten
Een koolhydraat bevat de volgende atomen: koolstof (C), zuurstof (O) en waterstof (H).
Monosachariden bestaan uit 6 koolstof-, 12 waterstof- en 6 zuurstofatomen (C6H12O6). Ze verschillen van
elkaar in de volgorde van de atomen, wat zorgt voor een verschil in de zoetheid.
- Glucose: essentiële energiebron voor alle activiteiten in het lichaam.
- Fructose: zoetste monosacharide. Het komt van nature voor in fruit en honing.
- Galactose: komt van nature in kleine hoeveelheden voor in voedsel.
Disachariden zijn paren van de monosachariden. De monosachariden
worden aan elkaar gekoppeld door de condensatiereactie. Bij vertering
worden de bindingen verbroken door de hydrolysereactie.
- Maltose: glucose – glucose
- Sucrose: glucose – fructose
- Lactose: glucose – galactose
Polysachariden zijn lange ketens van glucosemoleculen.
- Glycogeen: de vorm waarin glucose wordt opgeslagen in het lichaam.
- Zetmeel: vorm waarin glucose wordt opgeslagen in plantencellen.
- Vezels: verdeeld in oplosbaar en niet-oplosbaar. De oplosbare vezels kunnen worden gefermenteerd door
de bacteriën in de dikke darm. De niet-oplosbare vezels zijn niet fermenteerbaar; deze zorgen voor een
goede darmwerking.
4.3. Glucose in het lichaam
- Glucose wordt opgeslagen als glycogeen in de lever en spieren als de bloedsuikerspiegel stijgt. Wanneer
deze daalt wordt glucose weer vrijgemaakt door middel van hydrolysereacties. Het lichaam kan maar een
kleine hoeveelheid opslaan in de vorm van glycogeen; genoeg voor een aantal uren.
- Glucose wordt gebruikt als energiebron. Door middel van ingewikkelde chemische reacties wordt glucose
afgebroken waarbij energie ontstaat die gebruikt kan worden door alle cellen in het lichaam.
- Glucose kan ook worden gemaakt uit aminozuren, wanneer het lichaam niet genoeg glucose krijgt
aangeleverd. Het maken van glucose uit een aminozuur heet gluconeogenese.
- Ook kan het lichaam energie halen uit vet, wanneer er geen glucose op voorraad is. Fragmenten van vet
reageren dan met elkaar tot ketonlichamen. Een teveel van ketonlichamen kan ervoor zorgen dat de
zuurtegraad van het bloed uit balans raakt, omdat ketonlichamen zuur zijn.
- Een teveel aan glucose wordt eerst opgeslagen in de glycogeenvoorraad. Als deze ook vol is, kan de lever
glucose afbreken en vervolgens opbouwen tot vetmoleculen. De vetvoorraad kan ongelimiteerd worden
aangevuld in tegenstelling tot de glycogeenvoorraad.
De bloedsuikerspiegel moet binnen bepaalde waarden blijven om alle cellen van een contante aanvoer van
glucose te voorzien. De bloedsuikerspiegel wordt gereguleerd door de volgende hormonen:
- Insuline: als de bloedsuikerspiegel stijgt, reageren cellen van de alvleesklier door insuline te produceren.
Hierop reageren de spier- en levercellen om glucose op te slaan in glycogeen.
- Glucagon: als de bloedsuikerspiegel daalt, reageren cellen van de alvleesklier door glucagon te
produceren. De lever reageert door glycogeen om te zetten in glucose.
1. Understanding Normal and Clinical Nutrition
4.1. Koolhydraten
Een koolhydraat bevat de volgende atomen: koolstof (C), zuurstof (O) en waterstof (H).
Monosachariden bestaan uit 6 koolstof-, 12 waterstof- en 6 zuurstofatomen (C6H12O6). Ze verschillen van
elkaar in de volgorde van de atomen, wat zorgt voor een verschil in de zoetheid.
- Glucose: essentiële energiebron voor alle activiteiten in het lichaam.
- Fructose: zoetste monosacharide. Het komt van nature voor in fruit en honing.
- Galactose: komt van nature in kleine hoeveelheden voor in voedsel.
Disachariden zijn paren van de monosachariden. De monosachariden
worden aan elkaar gekoppeld door de condensatiereactie. Bij vertering
worden de bindingen verbroken door de hydrolysereactie.
- Maltose: glucose – glucose
- Sucrose: glucose – fructose
- Lactose: glucose – galactose
Polysachariden zijn lange ketens van glucosemoleculen.
- Glycogeen: de vorm waarin glucose wordt opgeslagen in het lichaam.
- Zetmeel: vorm waarin glucose wordt opgeslagen in plantencellen.
- Vezels: verdeeld in oplosbaar en niet-oplosbaar. De oplosbare vezels kunnen worden gefermenteerd door
de bacteriën in de dikke darm. De niet-oplosbare vezels zijn niet fermenteerbaar; deze zorgen voor een
goede darmwerking.
4.3. Glucose in het lichaam
- Glucose wordt opgeslagen als glycogeen in de lever en spieren als de bloedsuikerspiegel stijgt. Wanneer
deze daalt wordt glucose weer vrijgemaakt door middel van hydrolysereacties. Het lichaam kan maar een
kleine hoeveelheid opslaan in de vorm van glycogeen; genoeg voor een aantal uren.
- Glucose wordt gebruikt als energiebron. Door middel van ingewikkelde chemische reacties wordt glucose
afgebroken waarbij energie ontstaat die gebruikt kan worden door alle cellen in het lichaam.
- Glucose kan ook worden gemaakt uit aminozuren, wanneer het lichaam niet genoeg glucose krijgt
aangeleverd. Het maken van glucose uit een aminozuur heet gluconeogenese.
- Ook kan het lichaam energie halen uit vet, wanneer er geen glucose op voorraad is. Fragmenten van vet
reageren dan met elkaar tot ketonlichamen. Een teveel van ketonlichamen kan ervoor zorgen dat de
zuurtegraad van het bloed uit balans raakt, omdat ketonlichamen zuur zijn.
- Een teveel aan glucose wordt eerst opgeslagen in de glycogeenvoorraad. Als deze ook vol is, kan de lever
glucose afbreken en vervolgens opbouwen tot vetmoleculen. De vetvoorraad kan ongelimiteerd worden
aangevuld in tegenstelling tot de glycogeenvoorraad.
De bloedsuikerspiegel moet binnen bepaalde waarden blijven om alle cellen van een contante aanvoer van
glucose te voorzien. De bloedsuikerspiegel wordt gereguleerd door de volgende hormonen:
- Insuline: als de bloedsuikerspiegel stijgt, reageren cellen van de alvleesklier door insuline te produceren.
Hierop reageren de spier- en levercellen om glucose op te slaan in glycogeen.
- Glucagon: als de bloedsuikerspiegel daalt, reageren cellen van de alvleesklier door glucagon te
produceren. De lever reageert door glycogeen om te zetten in glucose.