Hoofdstuk 1.
Gedrag:
Uitingvormen.
Soort in stand houden.
Waarneembare gedragingen.
Lichaamshouding/geluiden.
Uiterlijke veranderingen.
Bepaald door erfelijkheid:
Instinct: Aangeboren gedrag, onbewust/doeltreffend handelen, altijd op dezelfde manier, om te
overleven, geen leerproces.
Jonge dieren: Tegen elkaar liggen, zoeken naar de tepel, snel leren opstaan.
Domesticatie: Hangt nauw samen met erfelijheid, beinvloed.
Bepaald door milieu:
Bepaalde bewegingen, omgevingstemperatuur/geuren, stimulans geeft reactie.
Bepaald gedrag: Uitwendige prikkels, licht, geluid, smaak, hersenen buisluiten wel/niet te reageren.
Toestand: Uitgemergeld dier zal meteen eten, verzadigd dier niet.
Huisvesting: Zorgen dat er genoeg woonruimte is.
Afwijkend gedrag: Stress, weven bij paarden, verveling, vorm van neurose.
Bepaald door inwendige prikkels:
Door hormonen aan het lichaam bekend gemaakt, honger/dorst zet aan tot eten en drinken, loopsheid,
afgifte geurstoffen, aantrekkingskracht, nesteldrang.
Taal:
Communicatie, geluiden toonhoogte/ritme, lichaamstaal, houdingen van oren/staart.
Communicatiestoornis:
Honden: Gecoupeerde/andes gevormde staart/oren.
Katten: Staartloze manx, scottish fold (oren).
Basisgedragsregelementen:
Vachtverzorginggedrag: Schoonhouden, verwijderen parasieten, verzorgen elkaar, versterken onderlinge
band, teken dat ze elkaar verdragen.
Voedselgedrag: Overleven, verzamelen, konijnenspoor volgen.
Vermijdingsgedrag: Verstoppen bij bedreiging.
Defeacatiegedrag: Tijds/plaatsgebonden, overal en altijd, territorium afbakenen.
Seksueel gedrag: Partner voor het leven, na het paren elkaar verlaten.
Kunstmatige inseminatie: Landbouwdieren, kleine huisdierenfokkerij.
Afwijkend gedrag: Geen partner, rijden tegen benen, bespringen spiegel.
Nestelgedrag: (Schijn)drachtig-> slepen met dekens, nestmatteriaal zoeken, aanhankelijheid, agressief,
afstandelijk, verzorging-> Voeden, likken, beschermen, nest schoonhouden.
In groep levende dieren: Zorg kan overgenomen worden door een ander volwassen dier.
Agressie- en dreiggedrag:
Dreiggedrag: Waarschuwing geven, dominantie.
Agressie: Prooi vangen, schijngevechten->krachtmeting.
Dominantiegedrag: Imponeren, grootmaken, als eerste drinken/eten, initiatief nemen, als eerste paren,
vaak een mannelijke dier, bestaat alleen als er onderdanigheid is.
Onderdanigheidsgedrag: Duidelijk maken dat de andere de meerdere is, klein maken, afwenden,
oogcontact verbreken, gericht op overleven, dit gedrag stopt de aanvaller meestal zijn aanval.
Onderlinge communicatie: Lichaamsuitdrukking, bepaalde gedragingen.
Afgeven signalen: Alarmering, dreiging, jagen in groep.
Gedrag:
Uitingvormen.
Soort in stand houden.
Waarneembare gedragingen.
Lichaamshouding/geluiden.
Uiterlijke veranderingen.
Bepaald door erfelijkheid:
Instinct: Aangeboren gedrag, onbewust/doeltreffend handelen, altijd op dezelfde manier, om te
overleven, geen leerproces.
Jonge dieren: Tegen elkaar liggen, zoeken naar de tepel, snel leren opstaan.
Domesticatie: Hangt nauw samen met erfelijheid, beinvloed.
Bepaald door milieu:
Bepaalde bewegingen, omgevingstemperatuur/geuren, stimulans geeft reactie.
Bepaald gedrag: Uitwendige prikkels, licht, geluid, smaak, hersenen buisluiten wel/niet te reageren.
Toestand: Uitgemergeld dier zal meteen eten, verzadigd dier niet.
Huisvesting: Zorgen dat er genoeg woonruimte is.
Afwijkend gedrag: Stress, weven bij paarden, verveling, vorm van neurose.
Bepaald door inwendige prikkels:
Door hormonen aan het lichaam bekend gemaakt, honger/dorst zet aan tot eten en drinken, loopsheid,
afgifte geurstoffen, aantrekkingskracht, nesteldrang.
Taal:
Communicatie, geluiden toonhoogte/ritme, lichaamstaal, houdingen van oren/staart.
Communicatiestoornis:
Honden: Gecoupeerde/andes gevormde staart/oren.
Katten: Staartloze manx, scottish fold (oren).
Basisgedragsregelementen:
Vachtverzorginggedrag: Schoonhouden, verwijderen parasieten, verzorgen elkaar, versterken onderlinge
band, teken dat ze elkaar verdragen.
Voedselgedrag: Overleven, verzamelen, konijnenspoor volgen.
Vermijdingsgedrag: Verstoppen bij bedreiging.
Defeacatiegedrag: Tijds/plaatsgebonden, overal en altijd, territorium afbakenen.
Seksueel gedrag: Partner voor het leven, na het paren elkaar verlaten.
Kunstmatige inseminatie: Landbouwdieren, kleine huisdierenfokkerij.
Afwijkend gedrag: Geen partner, rijden tegen benen, bespringen spiegel.
Nestelgedrag: (Schijn)drachtig-> slepen met dekens, nestmatteriaal zoeken, aanhankelijheid, agressief,
afstandelijk, verzorging-> Voeden, likken, beschermen, nest schoonhouden.
In groep levende dieren: Zorg kan overgenomen worden door een ander volwassen dier.
Agressie- en dreiggedrag:
Dreiggedrag: Waarschuwing geven, dominantie.
Agressie: Prooi vangen, schijngevechten->krachtmeting.
Dominantiegedrag: Imponeren, grootmaken, als eerste drinken/eten, initiatief nemen, als eerste paren,
vaak een mannelijke dier, bestaat alleen als er onderdanigheid is.
Onderdanigheidsgedrag: Duidelijk maken dat de andere de meerdere is, klein maken, afwenden,
oogcontact verbreken, gericht op overleven, dit gedrag stopt de aanvaller meestal zijn aanval.
Onderlinge communicatie: Lichaamsuitdrukking, bepaalde gedragingen.
Afgeven signalen: Alarmering, dreiging, jagen in groep.