Hoofdstuk 4.
Manieren van toediening:
Orale toediening: Worden via het slijmvlies van maag-darmkanaal opgenomen, sommige middelen
blijven in de maag om daar hun werk te doen.
Toediening: Met behulp van drinkwater of mengen door het voer.
Rectale toediening: Middelen bestaan vaak uit vettige substantie, snel opgenomen door het slijmvlies
van het rectum, via maag-darmkanaal opgenomen, wordt gegeven als het dier moeite heeft met slikken
of misselijk/maagproblemen heeft.
Klysma: Vettige vloeibare stof in een tube (gebruikt om te laxeren).
Lokale toediening: Direct op de te behandelen plaats aangebracht, Werken onmiddelijk, wordt
niet/gedeeltelijk in het bloed opgenomen, minder bijwerkingen.
Minder gemakkelijk: Anti vlooienspray bij katten (hebben schrik van het spraygeluid),
andere nadeel-> kunnen het middel zelf oplikken.
Parentale toediening: Via injectie, enkel door een dierenarts laten toedienen.
Uitzondering: Insuline toedienen mag wel door de eigenaar gebeuren.
Vormen van parentale toediening:
Subcutaan-> onderhuids.
Intradermaal-> in de huid.
Intramusculair-> in de spieren.
Intraveneus-> in de bloedbaan.
Intracardiaal-> in het hart.
Intraperitionaal-> in de buik.
Farmaceutische aspecten van een diergeneesmiddel:
-Vorm van het middel (tabletten, injecties, capsules).
-Werkzame stof.
-Wat doet het middel.
-Voor welk diersoort het middel is bedoeld.
-Hoe vaak het middel gegeven moet worden.
-Hoe het middel moet worden toegediend.
Het is belangrijk om bij toediening van het geneesmiddel de bijsluiter te lezen.
Orale preparaten:
Tabletten: Vervaardigd uit samengeperste poedermengsels, soms voorzien van een breekgleuf.
Dragees: Tablet met een glad laagje eromheen (wordt gemakkelijker doorgeslikt), pas in het darm wordt
het middel afgegeven.
Bolussen: Niets anders dan een tablet, groter en ovaal van vorm.
Poeders: Toegediend over het voer/water.
Koppelmedicatie: Een grote groep dieren wordt in één keer behandeld, bij varken-rundhouderij
gebruikt/bij vogels in een voliere.
Nadeel: Kan niet precies nagaan hoeveel dieren ervan binnenkrijgen (ziek dier
eet/drinkt minder), poeders zijn kwetsbaar/vochtgevoelig.
Granulaat: Kleine korrels over het voer toegediend.
Capsules: Poeder met omhulsel.
Voordeel: Minder kwetsbaar, Steviger/minder vochtgevoelig, geen vieze smaak.
Vloeistoffen: Geneesmiddel opgelost in vloeibaar preparaat, Sterk geconcentreerde vloeistof dat
verdund moet worden, via drinkwater/over het voer toedienen.
Nadeel: Geen controle op de hoeveelheid inname, beter om direct in de bek te spuiten met
een spuitje.
Manieren van toediening:
Orale toediening: Worden via het slijmvlies van maag-darmkanaal opgenomen, sommige middelen
blijven in de maag om daar hun werk te doen.
Toediening: Met behulp van drinkwater of mengen door het voer.
Rectale toediening: Middelen bestaan vaak uit vettige substantie, snel opgenomen door het slijmvlies
van het rectum, via maag-darmkanaal opgenomen, wordt gegeven als het dier moeite heeft met slikken
of misselijk/maagproblemen heeft.
Klysma: Vettige vloeibare stof in een tube (gebruikt om te laxeren).
Lokale toediening: Direct op de te behandelen plaats aangebracht, Werken onmiddelijk, wordt
niet/gedeeltelijk in het bloed opgenomen, minder bijwerkingen.
Minder gemakkelijk: Anti vlooienspray bij katten (hebben schrik van het spraygeluid),
andere nadeel-> kunnen het middel zelf oplikken.
Parentale toediening: Via injectie, enkel door een dierenarts laten toedienen.
Uitzondering: Insuline toedienen mag wel door de eigenaar gebeuren.
Vormen van parentale toediening:
Subcutaan-> onderhuids.
Intradermaal-> in de huid.
Intramusculair-> in de spieren.
Intraveneus-> in de bloedbaan.
Intracardiaal-> in het hart.
Intraperitionaal-> in de buik.
Farmaceutische aspecten van een diergeneesmiddel:
-Vorm van het middel (tabletten, injecties, capsules).
-Werkzame stof.
-Wat doet het middel.
-Voor welk diersoort het middel is bedoeld.
-Hoe vaak het middel gegeven moet worden.
-Hoe het middel moet worden toegediend.
Het is belangrijk om bij toediening van het geneesmiddel de bijsluiter te lezen.
Orale preparaten:
Tabletten: Vervaardigd uit samengeperste poedermengsels, soms voorzien van een breekgleuf.
Dragees: Tablet met een glad laagje eromheen (wordt gemakkelijker doorgeslikt), pas in het darm wordt
het middel afgegeven.
Bolussen: Niets anders dan een tablet, groter en ovaal van vorm.
Poeders: Toegediend over het voer/water.
Koppelmedicatie: Een grote groep dieren wordt in één keer behandeld, bij varken-rundhouderij
gebruikt/bij vogels in een voliere.
Nadeel: Kan niet precies nagaan hoeveel dieren ervan binnenkrijgen (ziek dier
eet/drinkt minder), poeders zijn kwetsbaar/vochtgevoelig.
Granulaat: Kleine korrels over het voer toegediend.
Capsules: Poeder met omhulsel.
Voordeel: Minder kwetsbaar, Steviger/minder vochtgevoelig, geen vieze smaak.
Vloeistoffen: Geneesmiddel opgelost in vloeibaar preparaat, Sterk geconcentreerde vloeistof dat
verdund moet worden, via drinkwater/over het voer toedienen.
Nadeel: Geen controle op de hoeveelheid inname, beter om direct in de bek te spuiten met
een spuitje.