Hoofdstuk 1: basisrekenvaardigheden
1.4.1 optellen en aftrekken
Regel 1: Bij optellen en aftrekken begin je vooraan de berekening en verwerk je term voor term.
1.4.2 vermenigvuldigen en delen
Regel 2:
+ maal + is + dus 5 x 4 = 20
+ maal - is - dus 5 x -4 = -20
- maal + is - dus -5 x 4 = -20
- maal - is + dus -5 x -4 = 20
Regel 3:
+ gedeeld door + is + dus 20/4 = 5
+ gedeeld door - is - dus 20/-4 = -5
- gedeeld door + is - dus -20/4 = -5
- gedeeld door - is + dus -20/-4 = 5
1.4.3 haakjes wegwerken
Regel 4:
1. Eerst haakjes wegwerken;
2. Machtsverheffen gaat voor, dan vermenigvuldigen of delen, en dan optellen of aftrekken.
Vb: (40:(4x2)) – 1 + 5 x 6
1 haakjes wegwerken (4x2) = 8
(40 : 8 = 5)
blijft over: 5 – 1 + 5 x 6
2 vermenigvuldigen eerst, dan optellen en 5 x 6 = 30
aftrekken
blijft over: 5 – 1 + 30
5–1=4
4 + 30 = 34
1.4.4 rekenen met variabelen
1. 5x4 + 3x4 = 8x4 als je de 4’en verwisselt voor een variabele a, dan zie je: 5x a + 3x a = 8x a
Omdat dit er niet zo netjes uit ziet, wordt meestal de volgende schrijfwijze toegepast: 5a + 3a = 8a
__________________________________________________________________________________
2. Wat komt er uit: 3a + 3b + 2a – 2b – a?
Je zoekt de termen met een gemeenschappelijke factor. Bij elkaar horen 3a, 2a en -a. Deze kun je bij
elkaar zetten en uitrekenen: 3a + 2a – a = 4a
Dit doe je ook met de andere twee termen: 3b – 2b = b
Het eindantwoord is daarom: 3a + 3b + 2a -2b – a = 4a + b