Leerdoel 1(bas1): je kunt biotische en abiotische factoren binnen ecosysteem noemen
Organisme: 1 levend wezen
Populatie: groep organisme van dezelfde soort in een bepaald gebied, die zich
onderling voortplanten
Levensgemeenschap: alle populaties in een bepaald gebied (ecosysteem)
Ecosysteem: min of meer begrensd gebied waarin wisselwerking plaatsvind tussen
biotische en abiotische factoren
Hierbinnen heeft elk soort zijn eigen habitat: leefgebied van een organisme
Biosfeer: alle ecosystemen samen
Biotische factor: invloeden afkomstig van de levende natuur
Abiotische factoren: invloeden afkomstig van levenloze natuur
Biotoop: alle abiotische factoren in een bepaald gebied (ecosysteem)
Leerdoel 2(bas2): je kunt invloed van belangrijkste abiotische factoren op organisme beschrijven
abiotische factoren zijn van invloed op soortensamestelling: de verschillenden soorten die
binnen een ecosysteem voorkomen. Belangrijke abiotische factoren:
1. Bodemgesteldheid
Bodem bestaat uit mengsels bodemdeeltjes, elk is omgeven door dun watervliesje
- Zand: grote bodemdeeltjes, bevat veel lucht en weinig water. Kan water en zout niet
goed vasthouden.
- Klei: kleine bodemdeeltjes, bevat weinig lucht en veel water. Kan water en zout goed
vasthouden —> geschikt voor planten
- Humus: mengsel van organische, anorganische stoffen en micro-organisme. Het
verbeterd bodemstructuur en gaat uitspoeling mineralen tegen. = als humus voorkomt
in klei verbeterd het groei planten en in zand de watervathoudendheid
- Andere factoren: o.a de pH, grondwaterstand, mineralen concentratie.
2. Licht
Planten hebben licht nodig voor hun fotosynthese, de hoeveelheid verschilt
- Zonplanten groeien het beste bij hoge lichtintensiteit (bv in open veld)
- Schaduwplanten groeien het beste bij lage lichtintensiteit (bv op bodem bos)
- Daglengte heeft bij veel organisme invloed op tijdstip van voortplanten (bv
bloedvormingen bij planten, paring bij dieren)
- In zee dringt licht alleen door bovenste laag: overdag in diepte, nachts aan opp
3. Water
Planten zijn aangepast aan de beschikbare hoeveelheid water
- Planten vochtig milieu: klein wortelstelsel, bladeren met dunne cuticula(waslaagje
die zorgt dat water blijft) en veel huidmondjes (poriën die open/dicht kunnen)
- Planten droog milieu: groot wortelstelsels, balderen met dikke cuticula (waslaage die
zorgt dat water blijft ) en weinig huidmondjes(poriën die open/dicht kunnen)
- Voor waterdieren zijn zuurstof en zoutgehalte van water van belang
4. Tempratuur
- Chemische processen in organisme worden geregeld door enzymen. De
enzymeactiviteit is afhankelijk van de tempratuur
- Lange tempratuur = kleine enzymeactiviteit
- Hoge tempratuur = grote enzymeactiviteit
- Bij te hoge temperaturen gaan enzymen kapot, bv dieren zijn dan niet actief
Leerdoel 3(bas1): je kunt veranderingen van abiotische en biotische factoren beschrijven
Tolerantie: het vermogen van organismen om schommelingen in abiotische factoren
te verdragen.
Minimum: minimum tempratuur waarin organisme kan overleven
Optimum: de waarde van abiotische factor die het gunstigst is voor organisme
Maximum: maximum tempratuur waarin organisme kan overleven
Beperkende factor: abiotische factor die bepaald hoeveel organisme van een soort in
een gebied kunne overleven
Verpreidingsgebied (areaal): het gebied op aarde waar een soort voorkomt
Leerdoel 4(bas2): je kunt binnen ecosysteem vormen en concurrentie van coöperatie onderscheiden
1
, Populatie: 1 soort in een bepaald gebied die met elkaar voortplanten
Groeit het snelt als biotische en abiotische factoren de meest gunstige waarde hebben
Concurrentie: strijd binnen een populatie om bv voedsel, ruimte, partner, licht
Coöperatie: samenwerking binnen een populatie, of heel soms tussen populaties.
Natuurlijke selectie: de organisme die het best zijn aangepast aan milieu, hebben
de grootste overlevingskans.
Hierdoor kan diversiteit in ecosysteem veranderen
Bij sterke concurrentie is selectiedruk groot
Symbiose: het langdurige samenleven van organisme van verschillende soorten.
Dit is een vorm van coöperatie die voordelig, neutraal of nadelig kan zijn:
Mutualisme: beide organisme hebben voordeel
Commensalisme: ene organisme heeft voordeel ander geen voordeel en geen
nadeel.
Parasitisme: een organisme (parasiet) leeft op of in organisme van ander soort
(gastheer) en onttrekt er voedsel vandaan.
Leerdoel 5(bas2): je kunt dynamiek en het evenwicht in ecosysteem beschrijven
Populariegrootte/dichtheid: gemiddeld aantal organisme van een soort per opp-
eenheid (land) of per V-eenheid (water).
Factoren die van invloed zijn op populatiegrootte:
Predatie(eten van dieren), parasitisme, ziekte, concurrentie
Geboorte, sterfte, migratie = verplaatsing en verhuizing
Factoren veroorzaakt door mens of klimaat
Hierdoor schommelt de populatiedichtheid om een evenwichtswaarde =
Biologisch evenwicht: toestand waarin de populatiegrootte van elk soort in een
ecosysteem schommelt om een bepaalde waarde (normwaarde)
Gehandhaafd door negatieve terugkoppeling: (f1)
Populatie neemt toe = predatie, parasitisme en ziekten nemen toe = voedsel
neemt af = populatie groeit
Populatie neemt af = prefatie, parasitisme en ziekten nemen af = voedsel neemt
toe = populatie groeit
Als een nieuw soort zich in een ecosysteem binnendringt kan evenwicht worden
verstoord: populatie kan bv gaan groeien:
Inheems: soort die van nature in een gebied voorkomt
Uitheems: soort die van nature niet in een gebied voorkomt
Exoot: soort die als gevolg van menselijke handelen terechtkomt in een gebied
waar hij van oorsprong niet thuishoort.
Draagkracht: de maximale populatiegrootte(/beïnvloeding van buitenaf) in een
ecosysteem die over langere tijd in dat ecosysteem kan worden gehandhaafd.
Na snelle groei populatiegrotte kan draagkracht worden overschreden = populatie zal
kleiner worden: teveel aan organisme sterft bv. =
1. Er kan biologisch evenwicht ingesteld worden
2. Er kan een nieuw biologisch evenwicht ingesteld worden met lagere draagkracht.
3. Of de populatie stort in en hersteld zich niet meer
Leerdoel 6(bas3): je kunt voedselrelaties en informatienetwerken binnen ecosysteem beschrijven
Informatienetwerk: comminucatie via stoffen tussen organisme in ecosysteem, om
elkaar bv te waarschuwen voor vraat: het eten van planten door dieren.
Planten maken bv signaalstoffen aan als ze worden aangevreten, hierop reageren
andere planten. Ze gaan bv gifstoffen aanmaken om verdere vraat te voorkomen.
Voedselketen: reeks soorten waarbij elk soort de voedselbron is voor volgende soort
Vraat is begin van een voedselketen: is altijd plant, bacterie, archaea
Het geeft de voedselrealties tussen populaties in ecosysteem weer
Pijl in keten wijst in richting waarin voedsel zich verplaatst: opgegeten > eter
Tropisch niveau: de plaats/rang in de voedselketen
Niveau 1 = autotrofe organisme: (planten bv) maken dmv fotosynthese eigen voedsel
2