Verplichte arresten Burgerlijk Recht 2
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen
,Burgerlijk Recht 2 Arresten 2016/2017
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave ..................................................................................................................................... 2
Week 1 ..................................................................................................................................................... 3
Week 2 ..................................................................................................................................................... 5
Week 3 ................................................................................................................................................... 12
Week 4 ................................................................................................................................................... 16
Week 5 ................................................................................................................................................... 24
Week 6 ................................................................................................................................................... 26
Week 7 ................................................................................................................................................... 30
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen
,Burgerlijk Recht 2 Arresten 2016/2017
Week 1
Naam Bramer/Hofman en Colpro
Rechtsvraag In deze zaak is de vraag aan de orde of bepalingen in algemene
voorwaarden behoren te worden getoetst aan de hand van de maatstaf
of sprake is van onredelijk bezwarende bedingen in de zin
van art. 6:233, aanhef en onder a BW, of dat daarnaast toetsing aan de
beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid mogelijk is.
Antwoord Keuzevrijheid ingeval van samenloop
Samenvatting Bramer is gebruiker van algemene voorwaarden in het contract met
Hofman. Bramer beroept zich op zijn uit de algemene voorwaarden
voortvloeiende opschortingsrecht, waarna Hofman betoogt dat een
beroep op die algemene voorwaarden naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2).
Hofman krijgt van het Hof gelijk en Bramer voert aan dat de maatstaf
van art. 6:233 sub a had moeten worden toegepast.
Essentie/conclusie Naar luid van art. 6:233, aanhef en onder a, BW is een beding in
algemene voorwaarden vernietigbaar, indien het, gelet op de aard en
de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de
voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen
van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk
bezwarend is voor de wederpartij. Aldus wordt aan consumenten en
‘kleine ondernemers’ een bijzondere bescherming geboden tegen het
gebruik van onredelijk bezwarende bedingen in algemene
voorwaarden. Daarnaast geldt de algemene regel van art. 6:248 lid
2 BW dat een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst
geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven
omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zou zijn. De rechtsgevolgen van deze bepalingen
zullen met betrekking tot één feitencomplex niet naast elkaar kunnen
worden ingeroepen (geen cumulatie). Niet valt evenwel in te zien op
welke grond hier afgeweken zou moeten worden van het algemeen
geldende uitgangspunt dat, indien verschillende bepalingen voor
toepassing op één feitencomplex in aanmerking komen en cumulatie
niet mogelijk is, aan de gerechtigde de keuze is welke rechtsgevolgen
hij wenst in te roepen of op welke rechtsgrond hij zich wenst te
baseren. Nu de regeling van Titel 5, Afdeling 3, Algemene
voorwaarden, ertoe strekt de positie van de wederpartij van een
gebruiker van algemene voorwaarden te versterken, zou aan die
strekking worden tekort gedaan indien de wederpartij zou zijn
verstoken van een beroep op art. 6:248 lid 2. Ook het verschil in
rechtsgevolgen — enerzijds nietigheid en anderzijds het niet van
toepassing zijn van het beding — staat aan de hiervoor bedoelde
keuzemogelijkheid niet in de weg, nu dit verschil voor de gebruiker
van de algemene voorwaarden niet tot een onaanvaardbaar resultaat
leidt.
Context/Illustratie bij Bij samenloop tussen art. 6:233 sub a en 6:248 lid 2 is sprake van
keuzevrijheid., maar geen cumulatie
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen
,Burgerlijk Recht 2 Arresten 2016/2017
Naam Geurtzen/Kampstaal
Rechtsvraag Geeft art. 6:234 lid 1 limitatief aan hoe de algemene voorwaarden ter
kennis van de wederpartij kunnen worden gesteld?
Antwoord Ja, maar zie Essentie&Context
Samenvatting Op een aan de aanbesteder (zelf ook aannemer) toegezonden
schriftelijke offerte van een (onder)aannemer staat vermeld dat op alle
offertes, opdrachten en gesloten overeenkomsten de
Metaalunievoorwaarden van toepassing zijn welke zijn gedeponeerd
ter griffie van de Rechtbank Rotterdam en op verzoek worden
toegezonden. Art. 13.1 van die voorwaarden behelst een exoneratie.
De aanbesteder en aannemer hebben verschillende malen met elkaar
(onder)aannemingsovereenkomsten gesloten waarbij op dezelfde
wijze naar de algemene voorwaarden werd verwezen. Op het werk
ontstaat brand bij door de aannemer uitgevoerde werkzaamheden met
de snijbrander. Het hof honoreert het beroep van de aannemer op zijn
exoneratie en verwerpt het beroep van de aannemer op
vernietigbaarheid van de exoneratieclausule gegrond op de stelling
dat hem niet op de in de wet voorziene wijze de gelegenheid is
geboden van de voorwaarden kennis te nemen. Het cassatiemiddel
stelt de vraag aan de orde of de wijze waarop in het op art. 6:233
onder b aansluitende art. 6:234 lid 1 is geregeld hoe de gebruiker van
algemene voorwaarden aan de wederpartij de mogelijkheid kan
bieden om kennis te nemen van die voorwaarden, limitatief is
bedoeld.
Essentie/conclusie Hoewel de tekst van art. 6:234 lid 1 BW en de parlementaire
geschiedenis erop duiden dat de in dat artikel opgenomen opsomming
limitatief is bedoeld brengt een redelijke en op de praktijk afgestemde
uitleg van art. 6:234 lid 1 mee dat aan de strekking van de in die
bepaling vervatte regeling eveneens recht wordt gedaan, indien de
wederpartij zich tegenover de gebruiker ook niet op vernietigbaarheid
van een beding in algemene voorwaarden kan beroepen, wanneer hij
ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met dat beding bekend
was of geacht kon worden daarmee bekend te zijn. Ook kunnen zich
omstandigheden voordoen waarin een beroep op art. 6:233 onder bart.
234 lid 1 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar is. Uit de gedingstukken valt niet af te leiden dat het
hof zulks heeft onderzocht.
Context/Illustratie bij In wettekst en wetsgeschiedenis is steun te vinden voor bevestigende
beantwoording van de vraag of in art. 6:234 lid 1 BW limitatief is
geregeld hoe de gebruiker van algemene voorwaarden — op straffe
van vernietigbaarheid — aan de wederpartij de mogelijkheid kan
bieden om kennis te nemen van die voorwaarden. Een redelijke en op
de praktijk afgestemde uitleg brengt evenwel mee dat de wederpartij
zich niet op vernietigbaarheid van een beding in algemene
voorwaarden kan beroepen wanneer hij t.t.v. het sluiten van de
overeenkomst met dat beding bekend was of geacht kon worden
daarmee bekend te zijn: ook kunnen zich omstandigheden voordoen
waarin een beroep op vernietigbaarheid naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen
, Burgerlijk Recht 2 Arresten 2016/2017
Week 2
Naam Oerlemans/Driessen
Rechtsvraag Is de verkoper naar verkeersopvattingen (art. 6:75) gehouden de
schade te vergoeden als gevolg van een gebrek in het verkochte
product?
Antwoord Ja
Samenvatting Koper exploiteert een rozenkwekerij en gebruikt daarin als meststof
een ijzerhoudend product, ijzerchelaat, dat onder de naam BioFer op
de markt wordt gebracht door Epenhuijsen Chemie en onder meer
wordt verkocht door verkoper. Op zeker moment ontstaat schade aan
de rozen nadat koper een vat BioFer in gebruik had genomen. Koper
heeft verkoper voor zijn schade aansprakelijk gesteld op de grond dat
het vat BioFer een herbicide bevatte. Het Hof heeft de vordering
toegewezen. Daartoe heeft het overwogen dat voor industrieel
vervaardigde zaken geldt dat naar verkeersopvattingen gebreken
daaraan voor risico van de verkoper komen, ook als hij die gebreken
niet kende noch behoorde te kennen.
Essentie/conclusie Bij de beoordeling van de vraag of verkoper gehouden is de door
koper geleden schade te vergoeden heeft als uitgangspunt te gelden
dat het ijzerchelaat door de verontreiniging met Ethimiduron niet aan
de overeenkomst beantwoordde. Er is derhalve sprake van een
tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, die
ingevolge art. 6:74 BW tot schadevergoeding verplicht, tenzij de
tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Nu in
cassatie, in ieder geval veronderstellenderwijs, ervan moet worden
uitgegaan dat verkoper het ijzerchelaat niet zelf heeft geproduceerd,
dat het gaat om een gebrek dat geheel buiten haar toedoen is ontstaan
en dat zij kende noch behoorde te kennen, zodat de tekortkoming niet
aan haar schuld is te wijten, terwijl de tekortkoming evenmin
krachtens de wet of een rechtshandeling voor haar rekening komt,
moet, zoals het Hof met juistheid heeft overwogen, de vraag of zij aan
verkoper moet worden toegerekend, worden beantwoord aan de hand
van de in het verkeer geldende opvattingen (art. 6:75). De
verkeersopvattingen brengen mee dat in een geval als het onderhavige
een tekortkoming bestaande in een gebrek van een verkocht product
in beginsel voor rekening van de verkoper komt, ook als deze het
gebrek kende noch behoorde te kennen. Dit zal slechts anders kunnen
zijn in geval van, door de verkoper zo nodig te bewijzen, bijzondere
omstandigheden. Het bestaan van dergelijke bijzondere
omstandigheden, waarop in het onderhavige geval overigens geen
beroep is gedaan, zal niet snel mogen worden aangenomen. Dit een en
ander vindt ook steun in de parlementaire geschiedenis van het te
dezen niet toepasselijke, immers voor consumentenkoop geldende
art. 7:24. Voor zover het middel klaagt dat de door het Hof aanvaarde
regel een feitelijke risicoaansprakelijkheid voor de leverancier van
‘industrieel vervaardigde zaken’ introduceert, miskent het dat volgens
het uitgangspunt van art. 6:74 deze leverancier aansprakelijk
is, tenzij de tekortkoming hem op de voet van art. 6:75, onder meer
krachtens in het verkeer geldende opvattingen, niet kan worden
toegerekend.
Context/Illustratie bij De verkeersopvattingen brengen mee dat in beginsel voor rekening
van de verkoper komt een tekortkoming bestaande in een gebrek van
een industrieel vervaardigd verkocht product dat de verkoper niet zelf
heeft geproduceerd, dat geheel buiten zijn toedoen is ontstaan en dat
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen