§3. Spectrofotometrie
Infrarood spectrofotmetrie
Ir-straling zorgt voor warmte. Dit komt omdat atoombindingen kunnen vibreren via strekvibratie of
buigvibratie. Wanneer ir-straling van de juiste golflengte op een molecuul valt, worden bepaalde
vibraties in het molecuul versterkt en wordt de vibratie van heel het molecuul sterker. Door deze
sterkere bewegingen van het molecuul wordt de temperatuur van de stof hoger.
Elk soort atoombinding absorbeert ir-straling bij een andere golflengte. Als ir-straling met verschillende
golflengtes op een stof valt, kan worden gekeken wanneer de stof de straling absorbeert.
Het maken van een absorptiecentrum met ir-straling heet ir-spectrofotometrie.
Analyse van een ir-spectrum
Met Binas tabel 39C1 en C2 kan een absorptiecentrum worden afgeleid. De structuur van de moleculen
en de atoombindingen kunnen worden achterhaald. In zo’n absorptiecentrum staat op de x-as niet de
1
golflengte, maar het golfgetal. Het golfgetal is 𝜆. Op de y-as staat niet de absorptie, maar de
transmissie. Dit is het percentage van de straling die niet wordt geabsorbeerd.
Colormetrie
Colormetrie is het analyseren van stoffen met behulp van licht en uv-straling. Als een stof een
bepaalde kleur absorbeert, betekent het dat die stof die kleur juist niet aanneemt. De stof neemt
namelijk de kleur aan die hij weerkaatst. Het absorptiecentrum van colormetrie laat ook zien hoeveel
van de stof wordt geabsorbeerd.
§5. Chromatografie
Papierchromatografie
Chromatografie is een scheidingsmethode die berust op het verschil in oplosbaarheid in de
mobiele fase en het verschil in aanhechtingsvermogen aan de stationaire fase
(adsorptievermogen). Bij papierchromatografie is de mobiele fase de loopvloeistof, de
stationaire fase het papier. Het resultaat van chromatografie is een chromatogram.
Met chromatografie wordt duidelijk welke stoffen in een mengsel zitten. Daarvoor wordt een
referentiestof gebruikt: als deze stof even hoog komt als een stof op het chromatogram, is
de kans groot dat die stof in het mengsel aanwezig is.
De Rf-waarde wordt gebruikt bij het identificeren van een stof: bij gelijkblijvende
omstandigheden is deze waarde karakteristiek voor een stof.
𝑎𝑓𝑠𝑡𝑎𝑛𝑑 𝑠𝑡𝑎𝑟𝑡𝑙𝑖𝑗𝑛 𝑡𝑜𝑡 𝑚𝑖𝑑𝑑𝑒𝑙𝑝𝑢𝑛𝑡 𝑣𝑎𝑛 𝑒𝑒𝑛 𝑣𝑙𝑒𝑘
𝑅𝑓 = De Rf-waarde ligt tussen 0 en 1
𝑎𝑓𝑠𝑡𝑎𝑛𝑑 𝑣𝑎𝑛 𝑠𝑡𝑎𝑟𝑡𝑙𝑖𝑗𝑛 𝑡𝑜𝑡 𝑣𝑙𝑜𝑒𝑖𝑠𝑡𝑜𝑓𝑓𝑟𝑜𝑛𝑡
Naast papierchromatografie bestaat er ook dunnelaagchromatografie (TLC), hierbij is de
stationaire fase neppapier met een dun laagje silica (SiO2).