§2. Koolhydraten
Koolhydraten
Koolhydraten zijn koolstofverbindingen met vijf of meer C-atomen en minstens drie OH-
groepen per molecuul. De algemene formule is CnH2mOm. Koolhydraten (suikers of sachariden)
worden gevormd in groene planten uit CO2 en H2O onder invloed van zonlicht.
Monosachariden en hun structuur
Monosachariden zijn suikers die meestal in een ringstructuur
voorkomen. De meest voorkomende monosacharide is glucose
(druivensuiker). Glucose is een hexose, een molecuul met zes
C-atomen.
De koolstofatomen in de ringstructuur van glucose zijn asymmetrisch. In de natuur komt
alleen α-D-glucose en β-D-glucose voor. De aanduidingen α en β hebben betrekking op de
ruimtelijke oriëntatie van de groepen rond het C-atoom op plaats 1. Glucose wordt door de
aldehydegroep in de lineaire structuur ook aldose genoemd.
Monosachariden en reacties
Glucose kan een reductor en oxidator zijn. Als een energieleverancier is het een reductor. Er
ontstaat dan D-gluconzuur.
Een teveel aan glucose kan in de cellen worden omgezet als sorbitol, dan is glucose een
oxidator. Er ontstaat dan D-glucitol (sorbitol).
D-fructose heeft een ketongroep in de lineaire ketenstructuur, waardoor het als een oxidator
kan reageren. Fructose wordt in de lineaire structuur ook wel ketose genoemd.
Disachariden
Een disacharide kan ontstaan door een condensatiereactie van twee monosacharide-
eenheden, waarbij water ontstaat (glucose + fructose = sacharose):
→
Een disacharide kan door hydrolyse weer worden omgezet in twee monosachariden.