De relatie tussen luisterdoelen en strategieën:
Luisterdoel Luisterstrategie
Iets te weten willen komen Intensief luisteren
Een bepaald gevoel willen ondergaan Globaal luisteren
Zich een mening willen vormen Kritisch luisteren
Een bepaalde handeling willen uitvoeren Gericht luisteren
3.4 Gesprekssoorten
Monoloog=
Één spreker is actief.
(presentatie)
Dialoog=
Twee personen die beurtelings als spreker en luisteraar optreden.
(interview)
Groepsgesprek=
Meer dan twee personen die beurtelings de rol van spreker en luisteraar hebben.
(groepsdiscussie)
Hst 4 Woordenschat
4.1 Het woordgeheugen
Alle woorden die kinderen leren worden opgeslagen in het woordgeheugen of het mentaal lexicon.
Dit maakt deel uit van het langetermijngeheugen, waarin informatie permanent ligt opgeslagen. Van
elk woord is bepaalde inforamtie op een systematische manier vastgelegd. We weten hoe een woord
klinkt, hoe je het moet uitspreken, wat de betekenis is, hoe je het in een zin kunt gebruiken, hoe het
is opgebouwd en hoe je het moet schrijven. We noemen dat wel de verschillende identiteiten van
een woord. We onderscheiden de volgende identiteiten van een woord:
Akoestische identiteit
Articulatorische identiteit
Fonologische identiteit
Morfologische identiteit
Semantische identiteit
Syntactische identiteit
Orthografische identiteit
Akoestische identiteit=
De wijze waarop een woord klinkt.
Het woord garage klinkt als /gaaraazju/ en het woord het klinkt meestal als /ut/
Articulatorische identiteit=
De wijze waarop je een woord moet uitspreken.
Fonologische identiteit=
Valt samen met de articulatorische identiteit.
Morfologische identiteit=
De wijze waarop een woord is opgebouwd en hoe je met behulp van bestaande voor- en
achtervoegsels nieuwe woorden kunt vormen.
Semantische identiteit=
Luisterdoel Luisterstrategie
Iets te weten willen komen Intensief luisteren
Een bepaald gevoel willen ondergaan Globaal luisteren
Zich een mening willen vormen Kritisch luisteren
Een bepaalde handeling willen uitvoeren Gericht luisteren
3.4 Gesprekssoorten
Monoloog=
Één spreker is actief.
(presentatie)
Dialoog=
Twee personen die beurtelings als spreker en luisteraar optreden.
(interview)
Groepsgesprek=
Meer dan twee personen die beurtelings de rol van spreker en luisteraar hebben.
(groepsdiscussie)
Hst 4 Woordenschat
4.1 Het woordgeheugen
Alle woorden die kinderen leren worden opgeslagen in het woordgeheugen of het mentaal lexicon.
Dit maakt deel uit van het langetermijngeheugen, waarin informatie permanent ligt opgeslagen. Van
elk woord is bepaalde inforamtie op een systematische manier vastgelegd. We weten hoe een woord
klinkt, hoe je het moet uitspreken, wat de betekenis is, hoe je het in een zin kunt gebruiken, hoe het
is opgebouwd en hoe je het moet schrijven. We noemen dat wel de verschillende identiteiten van
een woord. We onderscheiden de volgende identiteiten van een woord:
Akoestische identiteit
Articulatorische identiteit
Fonologische identiteit
Morfologische identiteit
Semantische identiteit
Syntactische identiteit
Orthografische identiteit
Akoestische identiteit=
De wijze waarop een woord klinkt.
Het woord garage klinkt als /gaaraazju/ en het woord het klinkt meestal als /ut/
Articulatorische identiteit=
De wijze waarop je een woord moet uitspreken.
Fonologische identiteit=
Valt samen met de articulatorische identiteit.
Morfologische identiteit=
De wijze waarop een woord is opgebouwd en hoe je met behulp van bestaande voor- en
achtervoegsels nieuwe woorden kunt vormen.
Semantische identiteit=