Essay Health Technology Assessment: venetoclax+ obinutuzumab
Geschreven door: X
Datum: 8 maart 2021
Vak: MA301 Therapie van oncologische aandoeningen
Inleiding
Het Zorginstituut Nederland (ZIN) en het National Institute for Health and Care Excellence (NICE)
hebben het oncolyticum venetoclax in combinatie met obinutuzumab (V+O) beoordeeld in een
farmacotherapeutisch rapport voor de behandeling van niet eerder behandelde volwassen patiënten
met chronische lymfatische leukemie (CLL).[1-3] In dit essay worden de 2 farmacotherapeutische
rapporten kritisch geëvalueerd.
Farmacotherapie
De CLL-14 studie is een gerandomiseerde, multicenter en open-label fase 3 studie. Deze studie is
door ZIN en NICE gebruikt om de werkzaamheid en veiligheid te bepalen van V+O in vergelijking met
chloorambucil-obituzumab (C+O) bij patiënten van niet eerder behandelde CLL en co-morbiditeit.
Hiernaast heeft ZIN voor een indirecte vergelijking tussen V+O en ibritunib de RESONATE-2 studie
gebruikt, terwijl NICE Mato et al. (2018) heeft gebruikt.[1-3] De farmacotherapeutische conclusie van
ZIN is dat de behandeling met V+O bij niet-fitte patiënten met een gemuteerde IGHV-status zonder
17p-deletie en TP53-mutatie mogelijk leidt tot een langere progressievrije overleving (PFS) in
vergelijking tot een behandeling met C+O. Bij de behandeling van niet fitte patiënten met een
ongemuteerde IGHV-status zonder 17p-deletie en TP53-mutatie leidt V+O waarschijnlijk tot een
langere PFS dan C+O en mogelijk tot een gelijke PFS als ibrutinib.[1] In het NICE rapport is ook een
statisch significant en klinisch relevante verbetering in PFS bij V+O beschreven in vergelijking tot C+O.
Daarentegen wordt de algehele overleving met een geruime onzekerheid beschouwd als
waarschijnlijk vergelijkbaar. Een verschil met ZIN is dat NICE V+O pas aanbeveelt bij patiënten zonder
een 17p-deletie of TP53-mutatie als een behandeling met fludarbine-cyclophosphamide-rituximab
(FCR) of bendamustine-rituximab (BR) ongeschikt is. Echter wordt binnen het Cancer Drugs Fund V+O
wel aanbevolen bij deze specifieke groep ondanks een geschikte behandeling met FCR of BR.[2,3]
Zowel NICE als ZIN concluderen dat er een te lage bewijskracht is voor de indirecte vergelijking van
V+O ten opzichte van ibrutinib. Daarnaast geven ZIN en NICE beide aan dat V+O over het algemeen
goed wordt verdragen vergeleken met de huidige behandelingen.[1-3]
Farmaco-economie
Voor het farmaco-economische model gebruiken zowel ZIN als NICE een tijdshorizon van 30 jaar met
een cyclusduur van 4 weken. Ook maken ze beide gebruik van een partitioned survival model met
drie gezondheidstoestanden (progressievrije overleving, progressie en overlijden).[1-3]
Het ZIN hanteert bij een huidige ziektelast (tussen 0,41-0,7) een referentiewaarde van €50.000 per
QALY. Behandeling met V+O resulteert in een winst in kwaliteit van leven van ten opzichte van C+O.
De gemiddelde gezondheidswinst is 1,14 QALY. Daarnaast leidt dit tot een kostenbesparing van
€159.276 (verdisconteerd).[1] Deze resultaten worden met name gedreven door de lange
progressievrije periode. Na advisering door de wetenschappelijke adviesraad (WAR) concludeert het
ZIN dat de kosteneffectiviteitsanalyse van V+O van voldoende methodologische kwaliteit is voor niet
fitte patiënten met een niet eerder behandelde CLL en (on)gemuteerde IGHV-status, zonder 17p-
deletie of TP53-mutatie.[4] De behandeling voor patiënten met ongemuteerde IGHV-status, zonder
17p-deletie of TP53-mutatie is dominant, dat wil zeggen dat het meer QALYs levert tegen minder
kosten. De uitkomsten van de farmaco-economische analyse kunnen echter niet gebruikt worden
voor de patiënten met een niet eerder behandelde CLL en gemuteerde IGHV-status, zonder 17p-
deletie of TP53-mutatie. Dit komt doordat het te veel onzekerheden bevat rondom het modeleren
van de PFS, wat met name komt door een tekort aan data voor deze specifieke subgroep. De
Geschreven door: X
Datum: 8 maart 2021
Vak: MA301 Therapie van oncologische aandoeningen
Inleiding
Het Zorginstituut Nederland (ZIN) en het National Institute for Health and Care Excellence (NICE)
hebben het oncolyticum venetoclax in combinatie met obinutuzumab (V+O) beoordeeld in een
farmacotherapeutisch rapport voor de behandeling van niet eerder behandelde volwassen patiënten
met chronische lymfatische leukemie (CLL).[1-3] In dit essay worden de 2 farmacotherapeutische
rapporten kritisch geëvalueerd.
Farmacotherapie
De CLL-14 studie is een gerandomiseerde, multicenter en open-label fase 3 studie. Deze studie is
door ZIN en NICE gebruikt om de werkzaamheid en veiligheid te bepalen van V+O in vergelijking met
chloorambucil-obituzumab (C+O) bij patiënten van niet eerder behandelde CLL en co-morbiditeit.
Hiernaast heeft ZIN voor een indirecte vergelijking tussen V+O en ibritunib de RESONATE-2 studie
gebruikt, terwijl NICE Mato et al. (2018) heeft gebruikt.[1-3] De farmacotherapeutische conclusie van
ZIN is dat de behandeling met V+O bij niet-fitte patiënten met een gemuteerde IGHV-status zonder
17p-deletie en TP53-mutatie mogelijk leidt tot een langere progressievrije overleving (PFS) in
vergelijking tot een behandeling met C+O. Bij de behandeling van niet fitte patiënten met een
ongemuteerde IGHV-status zonder 17p-deletie en TP53-mutatie leidt V+O waarschijnlijk tot een
langere PFS dan C+O en mogelijk tot een gelijke PFS als ibrutinib.[1] In het NICE rapport is ook een
statisch significant en klinisch relevante verbetering in PFS bij V+O beschreven in vergelijking tot C+O.
Daarentegen wordt de algehele overleving met een geruime onzekerheid beschouwd als
waarschijnlijk vergelijkbaar. Een verschil met ZIN is dat NICE V+O pas aanbeveelt bij patiënten zonder
een 17p-deletie of TP53-mutatie als een behandeling met fludarbine-cyclophosphamide-rituximab
(FCR) of bendamustine-rituximab (BR) ongeschikt is. Echter wordt binnen het Cancer Drugs Fund V+O
wel aanbevolen bij deze specifieke groep ondanks een geschikte behandeling met FCR of BR.[2,3]
Zowel NICE als ZIN concluderen dat er een te lage bewijskracht is voor de indirecte vergelijking van
V+O ten opzichte van ibrutinib. Daarnaast geven ZIN en NICE beide aan dat V+O over het algemeen
goed wordt verdragen vergeleken met de huidige behandelingen.[1-3]
Farmaco-economie
Voor het farmaco-economische model gebruiken zowel ZIN als NICE een tijdshorizon van 30 jaar met
een cyclusduur van 4 weken. Ook maken ze beide gebruik van een partitioned survival model met
drie gezondheidstoestanden (progressievrije overleving, progressie en overlijden).[1-3]
Het ZIN hanteert bij een huidige ziektelast (tussen 0,41-0,7) een referentiewaarde van €50.000 per
QALY. Behandeling met V+O resulteert in een winst in kwaliteit van leven van ten opzichte van C+O.
De gemiddelde gezondheidswinst is 1,14 QALY. Daarnaast leidt dit tot een kostenbesparing van
€159.276 (verdisconteerd).[1] Deze resultaten worden met name gedreven door de lange
progressievrije periode. Na advisering door de wetenschappelijke adviesraad (WAR) concludeert het
ZIN dat de kosteneffectiviteitsanalyse van V+O van voldoende methodologische kwaliteit is voor niet
fitte patiënten met een niet eerder behandelde CLL en (on)gemuteerde IGHV-status, zonder 17p-
deletie of TP53-mutatie.[4] De behandeling voor patiënten met ongemuteerde IGHV-status, zonder
17p-deletie of TP53-mutatie is dominant, dat wil zeggen dat het meer QALYs levert tegen minder
kosten. De uitkomsten van de farmaco-economische analyse kunnen echter niet gebruikt worden
voor de patiënten met een niet eerder behandelde CLL en gemuteerde IGHV-status, zonder 17p-
deletie of TP53-mutatie. Dit komt doordat het te veel onzekerheden bevat rondom het modeleren
van de PFS, wat met name komt door een tekort aan data voor deze specifieke subgroep. De