Leerdoel C: De student beheerst de theoretische en praktische kaders van de
pedagogiek en kan deze toepassen op het handelen van een professional in een
casus (kwalificaties 4 & 5).
De student legt het begrip opvoeding uit en beschrijft uit welke basisdimensies
het begrip bestaat.
Opvoeding is alle omgang tussen ouder en kind waarbij de ouder gericht een relatie met het kind
aangaat. In deze omgang biedt de ouder het kind liefde, geborgenheid, veiligheid, intimiteit,
aandacht, grenzen, instructie, ondersteuning en controle. Hierdoor zal het kind tot zelfontplooiing
komen en over het nodige zelfvertrouwen en de nodige zelfstandigheid en zelfredzaamheid
beschikken om richting te geven aan zijn verdere leven.
Er is dus sprake van opvoeding als:
- Er sprake is van wederzijds respect tussen ouder en kind.
- Het kind voldoende veiligheid ervaart bij, vertrouwen heeft in, kan rekenen op, zich
geaccepteerd voelt door en ondersteuning krijgt van de ouder.
- Het kind wordt uitgedaagd door de ouder om eigen beslissingen te nemen en te
experimenteren met nieuwe dingen, waardoor hij vertrouwen krijgt in zijn omgeving.
Opvoedingsdoelen:
- Zelfstandigheid Het kind is in staat om zelf keuzes te maken, autonomie.
- Zelfredzaamheid Het kind is in staat om keuzes te verantwoorden naar anderen toe, om
zelfstandig je leven te leiden en problemen op te lossen.
- Zelfvertrouwen Het kind kan een bijdrage leveren aan de toekomst en is in staat
problemen op te lossen.
De 4 basisdimensies van opvoeden:
De vier dimensies kunnen niet afzonderlijk worden toegepast in de opvoeding. Samen zorgen de
dimensies ervoor dat het kind zich door de verschillende ontwikkelingsfasen heen kan slaan om
volwassen te worden.
1. Ondersteuning bieden:
Het opvoedgedrag van de ouder dat liefde en zorg voor het kind uitdrukt en dat zich richt op zijn
fysieke en emotionele welzijn, waardoor het zich begrepen en geaccepteerd voelt. Door
ondersteuning te bieden bevordert de ouder de ontwikkeling van het kind. Warmte en affectie
duiden op emotionele beschikbaarheid van de ouder.
Materiele en emotionele ondersteuning leiden tot een emotioneel goed gevoel bij het kind
Sensitiviteit Het opmerken van signalen die het kind afgeeft en aanzien van
behoeften en gevoelens
Responsiviteit De mate waarin de ouder adequaat op het kind reageert
Betrokkenheid
Straffen en belonen Het (on)gewenste gedrag stimuleren/afleren zodat het kind zich
gedraagt in overeenkomst met de wens van de ouder
Ondersteuning door middel van belonen Handelingen die leiden tot een
emotioneel prettig gevoel bij het kind.
Ondersteuning door middel van straffen De ouder biedt het kind de
gelegenheid om te reflecteren op zijn gedrag en ongewenst gedrag af te leren.
De straf na bespreken met het kind, om de bedoeling ervan uit te leggen.
Aandacht
2. Instructie geven:
Duidelijk maken aan het kind wat de bedoeling van iets is en welk gedrag verwacht wordt.
Informatie die het kind krijgt voor de ontwikkeling van kennis en vaardigheden. Hierdoor leert het
kind strategieën ontwikkelen om zijn eigen problemen op te lossen en verantwoordelijkheid te
dragen voor zijn beslissingen.
Zelfstandigheid en zelfredzaamheid worden bevorderd als de ouder op tijd weet in te spelen op de
behoeften en signalen van het kind.
, Naarmate het kind zich meer ontwikkeld, zal het meer initiatieven willen nemen. Omgekeerd wil de
ouder het kind veel instructie geven uit liefde en hem behouden voor fouten, ongelukken en
teleurstellingen in het leven.
Er kunnen 2 dingen gebeuren als het kind wordt overladen met instructies van de ouder:
Het kind zal geen eigen initiatieven durven ontplooien
Het kind zal te veel bezig zijn met wat de ouder zal denken en van de acties die ht van
plan is te ondernemen, waardoor het niet durft te handelen.
3. Controle uitoefenen:
Controle kan zijn het stellen van strikte regels die het kind geen bewegingsvrijheid geven, het
toepassen van macht oftewel autoritair. Maar controle kan ook worden uitgeoefend door een
beroep te doen op de verantwoordelijkheid en zelfstandigheid, door informatie en aanwijzingen te
geven oftewel autoritatief.
- Autoritaire controle (restrictieve controle):
Het opvoedgedrag waarbij de ouder druk uitoefent op het kind om correct gedrag te
vertonen. Negatief gedrag wordt onderdrukt. Macht en gezag van de ouder ten opzichte
van het kind spelen een centrale rol. De ouder gebruikt zijn macht op bepaald gedrag af te
dwingen, waarbij onvoorwaardelijke gehoorzaamheid wordt verlangd van het kind.
Striktheid van de ouder, waarbij strikte gedragsregels horen. Het kind wordt gehinderd in
zijn doen en laten en wordt nauwlettend in de gaten gehouden.
- Autoritatieve controle:
Gedragingen van de ouder waarbij uitleg wordt gegeven aan het kind en eisen worden
gesteld aan zelfstandigheid. Ouder geeft het kind informatie, instructie, suggestie een
aanwijzingen voor gewenst gedrag. Ouder hecht belang aan openheid en zal door uitleg
proberen instemming te verwerven voor zijn verwachtingen bij het kind. Kind wordt
aangemoedigd om eigen handelen te onderzoeken en verantwoordelijkheid te nemen. Er
zijn regels, waarbij bij ongewenst gedrag het kind zal worden gestraft waarna hier uitleg
voor wordt gegeven. Bij gewenst gedrag zal het kind worden beloont. Hierdoor zal het kind
steeds vaker zelfstandige acties ondernemen.
4. Grenzen stellen:
De wijze waarop de ouder het kind bestraft of beloont om gewenst gedrag aan te leren.
Gedragsverandering vindt plaats door beïnvloeding, waarbij gebruikt wordt gemaakt van straffen
en belonen. Voor het stellen van grenzen moet de ouder standvastig zijn ten aanzien van de
beslissingen die hij geeft genomen. De ouder toont respect voor de autonomie van het kind en
biedt de gelegenheid om zich op zijn eigen wijze te ontwikkelen.
Door duidelijke grenzen aan te geven voor het kind, voelt hij zich serieus genomen en voelt hij
liefde en betrokkenheid van de ouder. Er wordt gevraagd aan het kind om zijn gedrag af te
stemmen op een situatie en rekening te houden met anderen. De ouder leert het kind om te gaan
met diens normen en waarden en met maatschappelijke eisen die hem gesteld worden. Verder
leert het kind verantwoordelijkheid nemen voor zijn daden.
De student kent de context waarin het opvoedingsproces plaatsvindt en beschrijft
welke invloed de context van een gezin heeft op de opvoeding.
Drie oorzaken voor het grote aandeel van moedergezinnen:
- Het kind wordt bij de echtscheiding vaak automatisch aan de moeder toegewezen.
- De kans op overlijden van de vader is groter dan van de moeder.
- De ongehuwd (verzorgende) ouder is vrijwel altijd de moeder.
Gezinstypen
Gezinstype schets de mate van gezinscohesie en geeft inzicht in de verhouding tussen ouder en kid
en tussen broers en zussen onderling.
In een harmonisch gezin is er spaken van vriendelijkheid en geborgenheid, men kan het goed met
elkaar vinden. In een disharmonisch gezin kunnen de gezinsleden niet met elkaar overweg en is er
weinig tot geen betrokkenheid naar elkaar.
- Loszandgezin Er is weinig samenhang. Ouders hebben het druk met hun eigen
bezigheden. Ouders zijn ook vaak afwezig. Een rolmodel in het gezin ontbreekt.
Basisveiligheid ontbreekt en je gaat niet voor elkaar door het vuur. Het kind moet zichzelf
vormen omdat het geen grenzen, ondersteuning, instructie en controle krijgt aangeboden
van de ouders. Het kind neemt zelf belangrijke beslissingen en heeft oppervlakkige
contacten met leeftijdsgenoten. Het kind leert zichzelf de belangrijkste normen en waarden
aan. Het kind zoekt steun bij volwassenen. (Opvoedingsstijl: Verwaarlozend)