DSM uitleg
Waarom is het zo belangrijk om afwijkend gedrag te classificeren?
- Classificatie vormt de basis van wetenschap. Als patronen van afwijkend gedrag niet
gedefinieerd en geordend zijn, kunnen wetenschappers hun onderzoeksresultaten niet met
elkaar bespreken.
- Op basis van classificatiesystemen worden belangrijke beslissingen genomen. Welke
therapie of medicijnen bijv.
- Classificatie kan behandelaars helpen om het verloop van de ziekte te voorspellen.
- Classificatie kan onderzoekers helpen populaties me gelijksoortige patronen van afwijkend
gedrag, emoties en gedachten te onderscheiden.
DSM-IV
Net als het biologische model beschouwt de DSM-IV afwijkende gedragingen als uitingen of
symptomen van onderliggende stoornissen of ziekten. Het systeem is niet gebaseerd op het idee
dat afwijkend gedrag per definitie wordt veroorzaakt door biologische oorzaken of defecten, maar
gaat er van uit dat dit wordt veroorzaakt door een complexe interactie van (genetische)
aanlegfactoren en omgevingsfactoren.
De DSM-IV beschrijft, maar geeft geen verklaring. De behandelaar komt tot een diagnose door het
gedrag van de patiënt te vergelijken met de criteria die de DSM geeft voor specifieke patronen van
psychische stoornissen.
We kunnen de DSM betrouwbaar noemen als verschillende behandelaars bij hun beoordeling van
dezelfde gevallen met behulp van dit systeem tot dezelfde diagnose komen.
DSM-IV beschrijvingen
As 1: Klinische stoornissen
Patronen van stoornissen die het functioneren van de betrokkene belemmeren en die stress
oproepen. As 1 omvat ook relatieproblemen, leer- en werkproblemen, intens verdriet en problemen
waar bij de diagnose of behandeling de nadruk op kan liggen, maar die op zichzelf geen
definieerbare psychische stoornis zijn. Op As 1 vinden we ook psychologische factoren die invloed
hebben op somatische aandoeningen. Denk hierbij aan de negatieve invloed van angst op astma of
aan depressieve symptomen die het herstel na een operatie vertragen.
Stoornissen die relatief acuut zijn, die een bepaalde tijd duren, die van korte tijd zijn. Die zijn op
een bepaalde tijd opgekomen en kunnen ook weer weg gaan. Ze zijn niet altijd aanwezig, maar wel
in een bepaalde ernst. (Schizofrenie, depressie, angststoornis, stemmingsstoornis, dwangstoornis,
misbruik of afhankelijke van een middel/verslaving, eetstoornis, seksuele stoornis, ASS, etc.)
As 2: Persoonlijkheidsstoornissen en zwakzinnigheid
Persoonlijkheidsstoornissen zijn zeer langdurige, hardnekkige en ongepaste vormen van gedrag
(tegenover anderen) en emoties (deels als reactie op eisen van buiten).
3 clusters:
- Cluster A: Vreemd en excentriek gedrag
- Cluster B: Dramatische gedragingen, emotioneel
- Cluster C: Angst
(Antisociale, paranoïde, narcistische en borderline persoonlijkheidsstoornissen, etc.)
Zwakzinnigheid kenmerkt zich door een algemene belemmering van het intellectuele functioneren.
(mensen met een verstandelijke beperking)
As 3: Somatische aandoeningen
Chronische en acute ziekten en somatische aandoeningen die een belangrijke rol spelen in het
ontstaan, het verloop of de behandeling van de psychische stoornis. Dingen die zinvol zin om te
vermelden. (Epilepsie, zeer slechtziend, halfzijdig verlamd, bijwerkingen medicatie, etc.)
As 4: Psychosociale en omgevingsproblemen
Problemen in de sociale of fysieke omgeving die invloed hebben op de diagnose, behandeling en
het verloop van de psychische stoornis.
1