Tragedies en komedies (Theater)
- 6e eeuw v.Chr.
- Dionysus: dagenlange feesten
- Tragedie: treurspel, ernstig, exitus infelix (niet blij eind)
Doel: een reinigende invloed uit te oefenen op de geest van de toeschouwers
de zogenaamde catharsis.
- Komedie: blijspel, satirisch, seksueel, ‘geëngageerd’ (maatschappelijk betrokken
kunst), exitus felix (een blij eind)
Doel: te amuseren en met humor aan het lachen te maken
- Aeschylus, Sophocles, Euripides
- Thema: onoplosbaar conflict
- Aristoteles (filosoof = liefde voor de wijsheid)
Eenheid van tijd, plaats en handeling !!!!
Angst en medelijden voelen -> catharsis (reiniging)
Herkenning en identificatie -> leven beter begrijpen
Saamhorigheid
Het zet aan tot gesprek (ethiek)
- Hoe zag het theater eruit?
Halve cirkel
Speelvlak: cirkel (orchestra)
Scènegebouw: kleedruimte
15.000 bezoekers
Mythische muziek en godenbeelden (Muziek)
- Mythologie: Apollo (Lier & Kithara, snaren) vs. Dionysus (Aulos, fluit)
- Pythagoras:
Muziektheorie (intervallen: toonafstanden)
Muziek & wiskunde: het legt de harmonie en orde van het universum bloot
Consonant en Dissonant
- Goede muziek betekent goed leven
- Rome: uitwisseling van kennis met andere culturen:
Blaasinstrumenten
Christendom stopt abrupt met de muzikale optreden van de Romeinen
- Klassieke beeldhouwkunsten:
‘Perfecte en atletische lichaam’
Grieken: evenwicht tussen natuurgetrouwheid en idealisatie (geen persoon,
maar volmaakt menstype)
, Romeinen: lijkt op Griekse voorbeeld en wel persoonlijk en weergave van een
heerser.
Tempels en amfitheaters (Beeldende kunst)
Grieken:
- Zuilen -> bouworde
Dorisch, Ionisch, Korintisch
Architraaf
Romeinen:
Bakstenen (gietbeton)
Boogconstructies: aquaducten en bruggen
Vitrivius: Romeinse bouwmeester
Romeinse theaters:
Verhoogd podium
Zuilen dienen als decor
Amfitheater: Colosseum (stadion)
Halfzuilen en pilasters (pilaar)
Renaissance:
Wedergeboorte van de Klassieke oudheid vanaf 1400
Christendom:
313 Keizer Constatijn: geloofsvrijheid
Griekse en Romeinse kunst is volgens de Christelijke dogma: ‘heidens’
West Romeinse Rijk wordt overgenomen door:
- Germanen
- Hunnen
-
Hoofdstuk 2:
De Europese samenleving tijdens de middeleeuwen:
- Katholieke geloof verspreidde zich over Europa.
- Standenmaatschappij:
- Geestelijkheid (Oratores)
- Adel (Bellatores)
- Boeren en burgers
Invloed Katholieke kerk:
- Het laatste oordeel: beslissing of je in de hemel zou komen.
- Handel in aflaten leverde veel geld op.
- Mariadevotie en heiligenverering.
, o Relieken: overblijfselen van heiligen.
o Pelgrimstochten naar belangrijke relieken.
o Verspreiden en in stand houden christendom.
o Kerkelijke feestdagen met uitbeelding van Bijbelse verhalen.
Ontstaan scholen en universiteiten:
- Vanaf 1200 bedelorden, verleenden diensten aan de stad.
Kathedraalscholen:
- vrije kunsten (artes liberales)
- ambachten (artes mechanicae)
Ontstaan van universiteiten
Verbinding religie, natuur en wetenschap
- onderwijs ingericht op basis van scholastiek.
- Verbinding leer Katholieke Kerk en filosofen uit de klassieke oudheid
- Bestiaria gebaseerd op onder meer klassieke en Bijbelse bronnen.
Opdrachtgevers en de rol van kunst:
- Kerk is belangrijkste opdrachtgever
- Kunst ten dienste van het geloof:
o Religieuze functie
o Educatieve functie
- Kunstenaars hadden weinig aanzien
Bijdrage riddercultuur aan liedcultuur en dans:
Riddercultuur:
- Hoofs gedrag
- Hoofse liefde
Liederen:
- Onbereikbare liefde
- Heldendaden
- Troubadours en vaganten
Hoofse dans:
- Begin hofdansen
Verschillen in geloofsopvatting van kloosterorden:
- Kloosters kregen steeds meer kapitaal
- Cluniacenzers:
- Leven in rijkdom en luxe, ter ere van God
- Veel geld voor kunst
Cisterciënzers
- leven in soberheid, in navolging van Christus.