Vraag 1
Welke van de volgende uitspraken zijn correct?
1. De ontologie van de postpositivistische wetenschapsbenadering zegt: Er is een objectieve
werkelijkheid, of we hem nu kennen of niet
2. De epistemologie van de hermeneutisch / interpretatieve wetenschapsbenadering zegt:
Kennis krijgen we door systematisch, logisch te zoeken naar regelmatigheden.
a. Alleen uitspraak 1 is correct
b. Alleen uitspraak 2 is correct
c. Beide uitspraken zijn correct
d. Geen van beide uitspraken is correct
Vraag 2
In welke volgorde ontwikkelde de communicatiewetenschappelijke theorievorming zich in de
eerste helft van de vorige eeuw?
a. Almachtige media actieve publiek beperkte effecten
b. Beperkte effecten almachtige media actieve publiek
c. Almachtige media beperkte effecten actieve publiek
d. Actieve publeik beperkte effecten almachtige media
Vraag 3
Bij welke theorie of hypothese hoort de volgende veronderstelling: “een boodschap die wordt
doorgegeven via de massamedia zal minder invloed hebben dan een boodschap die door middel
van interpersoonlijke communicatie wordt doorgegeven?
a. Two-stepflowhypothese
b. Cognitieve-dissonantietheorie
c. Derde-persooneffecthypothese
d. Social-learningtheorie
Vraag 4
Pino in Sesamstraat krijgt een beloning, omdat hij tot 10 kan tellen. Dat is een voorbeeld van een
poging kinderen te leren tellen door middel van:
a. Subliminal influence
b. Disinhibitional modeling
c. Classical conditioning
d. Vicarious reinforcement
Vraag 5
Jouw guilty pleasure op mediagebied is het spelen van Candy Crush op je mobiel. Na 3 uur te
hebben gespeeld bedenk je je dat je ook een boek voor je tentamen had kunnen lezen. Je
bedenkt je echter tegelijkertijd dat je daar eigenlijk te moe voor was en dat het dus niet zinvol
was geweest.
In welke theorie of hypothese past deze gedachtegang?
a. Cognitieve-dissonantiereductie
b. Onpersoonlijke impacthypothese
c. Uses and Gratifications
d. Functionalisme