Globalisering = proces waarbij de verwevenheid tussen gebieden en samenlevingen op aarde
toeneemt.
Dimensies
1. Politiek= de manier waarop een land bestuurd wordt (bv. wetten, regels, subsidies).
2. Economie= de manier waarop er in een land geld verdiend wordt.
3. Sociaal= Je leeft in een groep met regels (ongeschreven en geschreven regels) en met
normen en waarden).
4. Cultureel= alles wat mensen maken en doen (bv. mobieltjes en spijkerbroeken).
Het heeft met aardrijkskunde te maken omdat het proces te maken heeft op de inrichting en de
functie van gebieden.
De globalisering loopt sneller dan ooit door de mno’s (multinationale
ondernemingen/multinationals), ze vormen een soort mondiaal netwerk door hun
vestigingen over de hele wereld. Ze worden hierbij gesteund door:
● De verbetering van de transport en communicatietechnologie, waardoor dit goedkoper
is. Gevolg: relatieve afstand wordt kleiner. Tijdruimtecompressie: Ontwikkeling waarbij
tijd en ruimte in elkaar wordt gedrukt.
● Overheden die veel handelsbelemmeringen, zoals importheffingen, hebben
opgeruimd. Ook hierdoor is fe wereldhandel enorm toegenomen.
Alleen landen/regio’s die interessant zijn voor multinationals doen mee met de globalisering.
Mno’s kiezen plekken door de volgende factoren:
1. De arbeidsmarkt: loon en kennisniveau.
2. De ligging: toegankelijkheid.
3. Opkomst van nieuwe afzetmarkten.
4. Politieke stabiliteit van een land: investeren in onrustige landen is erg riskant.
5. Gunstige vestigingsvoorwaarden, bv. in een EPZ (gebied met gunstige
vestigingsvoorwaarden).
Door EPZ’s kunnen grote verschillen binnen een land ontstaan.
Transitielanden zijn landen die van een planeconomie naar een vrijmarkteconomie overgaan.
Dit zijn communistische landen die nu een democratie hebben. Het is een lastig proces en
hierbij krijg je grote sociale en regionale verschillen.
Achterland: het gebied waarvan de in en uitvoer via die haven loopt.
Mainport: haven waar intercontinentale lijnen samenkomen.
Citymarketing: reclame maken voor je eigen stad.
Een metropool heeft een functie (bv. belangrijk economisch knooppunt) en een inrichting
(westerse uitstraling).
1