Hoofdstuk 8 Zelfbesef en zelfbeeld
Inleiding
Freud benoemd ‘ik’ als ‘ego’. Het is belangrijk dat je een ‘ik’ beleeft. Carl Jung was eerst Freuds
belangrijke volgeling. Later brak hij met Freud. Het collectief onbewuste dat alle mensen gemeen
hebben, omvat volgens Jung uit de oertijd stammende symbolische voorstellingen van algemeen
menselijke verschijnselen (liefde, dood, heldendom). De betekenis van het ‘ik’ of ‘zelf’ is moeilijk
onder woorden te brengen, vaak zeggen mensen: ik ben gewoon mezelf of ik ben ik etc. Binnen de
psychologie zijn er beeldspraken om ‘ik’ en ‘zelf’ uit te drukken:
Het topje van de ijsberg (psychoanalytisch):
Het kleine stukje van de persoonlijkheid waarvan een mens bewust weet heeft.
Het vulkanische eilandje dat onder water met andere eilandjes in verbinding staat
(jungiaans):
Het collectief onbewuste van alle mensen samen dat zo oneindig veel groter is dan elk van die
bewuste zichtbare ik-eilandjes.
De spiegel (sociaal psychologisch):
Het ik-gevoel ontstaat door het beeld dat je van jezelf door mensen om je heen krijgt
weerkaatst.
De ui (leertheoretisch):
Ervaring volgt op ervaring en zo ontstaat schil na schil: maar bij pellen blijft niets over, want
er is geen kern.
Er worden vier kanten aan het begrip ‘zelf’ onderscheiden: zelfbesef, zelfvertrouwen, zelfwaardering
en zelfkennis. Het ik-gevoel heeft te maken met een levenslijn die gisteren, vandaag en morgen
verbindt.
Ontwakend zelf besef
Baby’s in de baarmoeder hebben geen gedachten over zichzelf. Bij de geboorte worden baby’s
letterlijk en figuurlijk losgemaakt uit de gedachteloze eenheid. Het is de eerste stap naar een
zelfstandig bestaan en het uiteindelijk kunnen komen tot zelfbesef. Dieren hebben dezelfde
overgang, maar komen niet tot zelfbesef omdat:
In de menselijke genen de bereikte mogelijkheid ligt om in de loop van de evolutie tot
zelfbesef te komen.
Mensen hebben de beschikking over taal (nadenken kan pas tot ontplooiing komen als er
woorden zijn).
Zelfbesef en taal zijn de belangrijkste fundamentele eigenschappen die hen onderscheiden van
andere levende wezens.
Besef van lichamelijke toestand
De eerste aanzet tot zelfbesef heeft te maken met een lichamelijk gevoel. Door schoksgewijze
verschillen worden baby’s opmerkzaam gemaakt op hun eigen lichamelijkheid (bijvoorbeeld het
verschil tussen een natte en een droge luier, het verschil tussen bloot/koud op de aankleedtafel en
warm tegen de moeder aan). Dit gebeurt zonder besef van wat dat eigen lichaam is. De verschillen in
lichamelijke toestand krijgen een extra accent door de uitstel en variatie die mensenbaby’s ervaren
in de verzorging (uitstel = bijvoorbeeld drinken onderbreken, omdat de moeder weet dat de baby zo
wel verder wordt gevoed, variatie = bijvoorbeeld wanneer de moeder een andere stem heeft,
wanneer ze verkouden is of de vader de ene keer wel en de andere keer niet naar aftershave ruikt).
Ook de manier waarop baby’s hun eigen lijfje ruimtelijk ervaren, zal van invloed zijn. De tastzin en
het gevoel voor lichaamshouding spelen daarbij een hoofdrol.
Eerst ervaren baby’s de lichaamsdelen niet als een deel van henzelf (ze zijn bijvoorbeeld verbaasd
over een bewegend handje of ze bijten zichzelf). Door herhaling leren ze de verschillen kennen. Na
Inleiding
Freud benoemd ‘ik’ als ‘ego’. Het is belangrijk dat je een ‘ik’ beleeft. Carl Jung was eerst Freuds
belangrijke volgeling. Later brak hij met Freud. Het collectief onbewuste dat alle mensen gemeen
hebben, omvat volgens Jung uit de oertijd stammende symbolische voorstellingen van algemeen
menselijke verschijnselen (liefde, dood, heldendom). De betekenis van het ‘ik’ of ‘zelf’ is moeilijk
onder woorden te brengen, vaak zeggen mensen: ik ben gewoon mezelf of ik ben ik etc. Binnen de
psychologie zijn er beeldspraken om ‘ik’ en ‘zelf’ uit te drukken:
Het topje van de ijsberg (psychoanalytisch):
Het kleine stukje van de persoonlijkheid waarvan een mens bewust weet heeft.
Het vulkanische eilandje dat onder water met andere eilandjes in verbinding staat
(jungiaans):
Het collectief onbewuste van alle mensen samen dat zo oneindig veel groter is dan elk van die
bewuste zichtbare ik-eilandjes.
De spiegel (sociaal psychologisch):
Het ik-gevoel ontstaat door het beeld dat je van jezelf door mensen om je heen krijgt
weerkaatst.
De ui (leertheoretisch):
Ervaring volgt op ervaring en zo ontstaat schil na schil: maar bij pellen blijft niets over, want
er is geen kern.
Er worden vier kanten aan het begrip ‘zelf’ onderscheiden: zelfbesef, zelfvertrouwen, zelfwaardering
en zelfkennis. Het ik-gevoel heeft te maken met een levenslijn die gisteren, vandaag en morgen
verbindt.
Ontwakend zelf besef
Baby’s in de baarmoeder hebben geen gedachten over zichzelf. Bij de geboorte worden baby’s
letterlijk en figuurlijk losgemaakt uit de gedachteloze eenheid. Het is de eerste stap naar een
zelfstandig bestaan en het uiteindelijk kunnen komen tot zelfbesef. Dieren hebben dezelfde
overgang, maar komen niet tot zelfbesef omdat:
In de menselijke genen de bereikte mogelijkheid ligt om in de loop van de evolutie tot
zelfbesef te komen.
Mensen hebben de beschikking over taal (nadenken kan pas tot ontplooiing komen als er
woorden zijn).
Zelfbesef en taal zijn de belangrijkste fundamentele eigenschappen die hen onderscheiden van
andere levende wezens.
Besef van lichamelijke toestand
De eerste aanzet tot zelfbesef heeft te maken met een lichamelijk gevoel. Door schoksgewijze
verschillen worden baby’s opmerkzaam gemaakt op hun eigen lichamelijkheid (bijvoorbeeld het
verschil tussen een natte en een droge luier, het verschil tussen bloot/koud op de aankleedtafel en
warm tegen de moeder aan). Dit gebeurt zonder besef van wat dat eigen lichaam is. De verschillen in
lichamelijke toestand krijgen een extra accent door de uitstel en variatie die mensenbaby’s ervaren
in de verzorging (uitstel = bijvoorbeeld drinken onderbreken, omdat de moeder weet dat de baby zo
wel verder wordt gevoed, variatie = bijvoorbeeld wanneer de moeder een andere stem heeft,
wanneer ze verkouden is of de vader de ene keer wel en de andere keer niet naar aftershave ruikt).
Ook de manier waarop baby’s hun eigen lijfje ruimtelijk ervaren, zal van invloed zijn. De tastzin en
het gevoel voor lichaamshouding spelen daarbij een hoofdrol.
Eerst ervaren baby’s de lichaamsdelen niet als een deel van henzelf (ze zijn bijvoorbeeld verbaasd
over een bewegend handje of ze bijten zichzelf). Door herhaling leren ze de verschillen kennen. Na