Geschiedenis: Hoofdstuk 8
Kenmerkende aspecten: Tijd van Burgers en Stoommachines (1800-1900)
1. De Industriële Revolutie (§1)
2. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme & socialisme (§2)
3. Voortschrijdende democratisering (§3)
4. De opkomst van emancipatiebewegingen: feminisme en confessionalisme (§4)
- Eenwording Duitsland en Italië
5. De Sociale Kwestie (§5)
6. Het moderne imperialisme en de industrialisatie (§6)
§1
Industriële Revolutie - tweede helft van de 18de eeuw (in Engeland)
In loop van eeuwen is verschil tussen grote (rijke) en kleine (arme) boeren sterk toegenomen
- lange tijd waren er, naast particuliere, ook gemeenschappelijke gronden; waar alle boeren, uit
bepaalde regio, gebruik van konden maken
Grote, rijke boeren gingen enclosure-politiek voeren: hiermee wilden ze maatschappelijke gronden
particulier maken en bij eigen bezit voegen
=> enclosures leiden ertoe dat boeren effectiever gaan werken: opbrengsten nemen toe
Kleine boeren hebben geen werk meer en gaan andere dingen doen: (huis-)nijverheid, bv. spinnen
=> dat gebeurde aanvankelijk met de hand
Na uitvinding schietspoel ontstaat er tekort aan gesponnen draden, zo wordt er nieuwe uitvinding
gedaan om spinnen te versnellen => een uitvinding lokte een nieuwe uitvinding uit
Op het platteland ontstonden entrepreneurs (kooplieden): vormden schakel tussen platteland & stad
- entrepreneurs leverden ruwe katoen en namen dan geproduceerde goederen weer mee
=> was lucratieve handel: entrepreneurs werden rijk
Pogingen om productieproces te versnellen gaan verder:
±1760 - James Watt ontwikkelt verbeterde stoommachine; is ook bruikbaar in katoenindustrie
- stoommachine past niet meer in huis: zo ontstaan fabrieken = fabrieksnijverheid
Eerste fabrieken stonden vooral bij rivieren en kolenmijnen
=> eerst vooral in katoen-, later ook in staalindustrie: zo wordt Engeland eerste industriestaat
Belangrijke kenmerken die Engeland geschikt maakten voor industrialisering:
- kapitaal aanwezig: er waren al rijke entrepreneurs aanwezig die geld wilden investeren in industrie
- veel kolonies: uit kolonies konden grondstoffen gehaald worden en vormden vaste afzetmarkten
- veel goedkope arbeidskrachten, bv. kleine, arme boeren die te weinig met landbouw verdienden
- infrastructuur: veel waterwegen; konden gebruikmaken van Watts stoomschepen en -treinen
Belangrijk gevolg Industriële Revolutie: opkomst grote industriesteden, bv. Liverpool & Manchester
=> arbeiders gingen massaal in de stad, dichtbij fabrieken, wonen
=> entrepreneurs gingen juist aan de rand van de stad wonen, waar omstandigheden vaak iets beter
waren: weg van de vervuilde, ongezonde arbeiderswijken
Na 1850 ontstond er als het ware een tweede Industriële Revolutie
Verschil: water en steenkool werden vervangen door elektriciteit en aardolie
- nieuwe producten: wapens, kunstmest en -stoffen, chemische industrieproducten (medicijnen)
- nieuwe communicatiemiddelen: telefoon (Alexander Graham Bell), telegraaf (schriftelijk)