Natuur en Techniek
Door: Nick Slippens
1
, Thema 1: Planten
Van planten en dieren
Alle planten, schimmels, bacteriën en dieren bestaan uit cellen.
Cellen zijn de bouwstenen van levende wezens ofwel organismen.
Alle levende inhoud van een cel noem je samen het protoplasma.
Bij planten en dieren bestaat het protoplasma uit cytoplasma en een kern.
In het cytoplasma drijven de organellen.
Organellen zijn onderdelen van de cel met een bepaalde functie.
Met een lichtmicroscoop kun je sommige organellen waarnemen.
Dierlijke cel
Het cytoplasma bestaat uit een stroperige basissubstantie waarin oganellen drijven. Het
cytoplasma bestaat voor 60 tot 95% uit water
De buitenste laag van het kernplasma is het kernmembraan. Dit membraan zorgt ervoor dat
de chromosomen met erfelijke eigenschappen (DNA) in de kern blijft.
De Celkern bestaat ut kernplasma. De celkern regelt allerlei processen in de cel. In de celkern
zitten de chromosomen met de erfelijke eigenschappen (DNA)
De buitenste laag van het cytoplasma is een dun vlies: het celmembraan.
Het celmembraan zorgt ervoor dat alle celonderdelen binnen de cel blijven.
Plantencel
Net als bij dierlijke cellen vind je bij plantencellen de onderdelen cytoplasma, celkern en celmembraan.
Plantencellen hebben ook een celwand, een vacuole en plastiden.
In het cytoplasma van alle plantencellen komen plastiden voor. Voorbeelden van plastiden zijn:
- Chloroplasten = bladgroenkorrels: deze korrels geven de plant een groene kleur.
- Chromoplasten = gekleurde korrels, bijvoorbeeld rood of oranje; chromoplasten zijn veranderde
chloroplasten. Een tomaat is bijvoorbeeld eerst groen en kleurt steeds roder.
- Leukoplasten = zetmeelkorrels: hier slaan planten hun reservevoedsel op.
De buitenste laag van cytoplasma is een dun vlies: het celmembraan.
Een vacuole is een blaasje gevuld met vocht. Een vacuole is omgeven door een
vacuolemembraan.
Het cytoplasma bestaat uit een stroperige substantie waarin organellen
drijven. Het cytoplasma bestaat voor 60 tot 95% uit water.
Het cytoplasma van een plantaardige cel vormt een stevig laagje om de cel
heen: de celwand. De celwand is een tussencelstof en behoort niet tot de cel.
Celwanden zorgen voor stevigheid. De celwand bij planten bestaat uit
cellulose.
De celwanden van naburige cellen sluiten vaak niet precies aaneen. Tussen de
celwanden komen dan kleine holten voor: de intercellulaire ruimten. Deze
holten zij gevuld met lucht of water.
De celkern bestaat uit kernplasma. De celkern regelt allerlei processen in de
cel. In de kern liggen de chromosomen
De buitenste laag van het kernplasma is het kernmembraan.
Van cel tot organisme
Als je inzoomt op een organisme, zie je steeds kleinere
eenheden.
Van groot naar klein is dat: organisme, orgaanstelsel,
orgaan, weefsel, cel.
2
,Van cel tot weefsel
Alle organismen bestaan uit cellen.
Soms kunnen organismen zelfstandig leven als eencellige. Een voorbeeld is het pantoffeldiertje.
De meeste organismen bestaan uit meerdere cellen. Een groep met dezelfde cellen, zowel qua vorm als
functie, heet een weefsel.
Er zijn veel verschillende weefsels.
Ieder weefsel heeft zijn eigen functie.
In meercellige organismen komen ook cellen voor die afzonderlijk leven. Een voorbeeld zijn de
bloedcellen.
Witte en rode bloedcellen leven afzonderlijk van elkaar in het bloedplasma.
Verschillende cellen
Elke cel is weer anders. Welke vorm een cel heeft hangt samen met de functie van de cel.
Een zenuwcel is bijvoorbeeld heel lang en smal omdat hij overal in het lichaam moet komen en een huidcel is
heel rechthoekig en stevig, net als een muur, omdat ze je lichaam moeten beschermen.
Zenuwcellen geleiden elektrische pulsen
Wangslijmvliescellen zijn plat, sluiten goed aan en dekken het onderliggende weefsel af
Kraakbeencellen zorgen voor stevigheid en flexibiliteit
Gladde spiercellen zorgen voor beweging in bloedvaten en darmstelsel
Darmepitheel zorgen voor opname van voedingsstoffen
Botcellen zorgen voor stevigheid
Dwarsgestreepte spiercellen zorgen voor beweging in skeletspieren
Rode bloedcellen zorgen voor zuurstoftransport
Van cel tot weefsel – Dierlijke weefsels
Steunweefsel
Steunweefsel zorgt voor stevigheid, bijvoorbeeld in het skelet en tussen de organen.
Bij dierlijk steunweefsel liggen de cellen niet tegen elkaar aan.
Tussen de cellen is tussencelstof gevormd. Het soort tussencelstof bepaalt de eigenschappen van
het steunweefsel. De tussencelstof bevat altijd vezels van het eiwit collageen.
Beenweefsel
Beenweefsel is harder dan kraakbeenweefsel en bindweefsel.
De tussencelstof van been bevat weinig water en veel kalk.
Kraakbeenweefsel
De tussencelstof van kraakbeenweefsel bevat meer water, minder kalk en meer collageen dan bij beenweefsel.
Spierweefsel
Spierweefsel bestaat uit langgerekte cellen die kunnen
samentrekken.
Zenuwweefsel
Door de zenuwcellen gaan elektrische signalen ofwel impulsen.
Er zijn drie typen zenuwcellen:
- Gevoelszenuwcellen brengen impulsen van de zintuigen naar het
centrale zenuwstelsel.
- Schakelcellen brengen impulsen van de ene naar de
andere zenuwcel.
- Bewegingszenuwcellen brengen impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren of klieren.
3
, Van cel tot weefsel – Plantaardige weefsels
Steunweefsel
De stevigheid bij plantencellen komt door de celwanden.
Bij steunweefsel is er extra celwandmateriaal afgezet.
Dekweefsel
De buitenste laag van bladeren bestaat uit een laag afdekkende cellen. De cellen daaronder
zijn vulweefsel.
Vezels
Planten krijgen ook stevigheid door vezels. De cellen van vezels hebben dikke celwanden die
veel houtstof bevatten. De cellen binnen deze stevige celwanden sterven af.
Vaatweefsel
Vaatweefsel bestaat uit kleine buisjes die zorgen voor het transport van stoffen in planten. De
waterstroom gaat van de wortel naar de bladeren. Voedingsstoffen gaan van blad naar wortel.
Doordat er verschillende celtypen zijn, heet dit een samengesteld weefsel.
Orgaanstelsel
De mens bestaat uit veel verschillende orgaanstelsels.
Het bloedvatenstelsel.
Het bloedvatenstelsel bestaat onder andere uit het hart, de aorta en de aderen.
Het hart pompt bloed door het lichaam.
De aorta is de grootste slagader en voert zuurstofrijk bloed naar het lichaam.
De holle ader voert zuurstofarm bloed naar het hart.
Het ademhalingsstelsel.
Het ademhalingsstelsel bestaat uit de luchtpijp, de bronchiën en de longen.
De luchtpijp is een stevige buis met kraakbeenringen waardoor de ingeademde
lucht naar de longen gaat. De luchtpijp kan afgesloten worden door het
strottenklepje.
De luchtpijp vertakt in bronchiën naar de 2 longen toe.
In de long zitten longblaasjes. Daar vindt de gasuitwisseling plaats.
Zuurstof wordt opgenomen, koolstofdioxide uitgescheiden.
Het verteringsstelsel
Het verteringsstelsel bestaat uit de slokdarm, de maag en de dunne darm.
De slokdarm voert via peristaltische bewegingen voedsel van de mond naar de maag.
De maag is een gespierd orgaan in de buikholte waarin het voedsel tijdelijk wordt opgeslagen en
verteringssappen worden afgescheiden.
In de ongeveer 6 meter lange dunne darm vindt vertering plaats en worden voedingsstoffen door het
bloed opgenomen.
Het spierstelsel
Voorbeelden van spieren in dit stelsel zijn de biceps, de buikspier en de
dijspier.
De Biceps is een spier die het mogelijk maakt om je arm te buigen.
Buikspieren beschermen de buikholte en maken bewegingen mogelijk.
De dijspier heeft een belangrijke functie bij het lopen.
Voortplantingsstelsel man
de zaadleiders, de eikel en de balzak maken deel uit van dit stelsel.
Vanaf de zaadballen lopen de zaadleiders naar boven. Ze passeren de zaadblaasjes
en de prostaat. Die maken zaadvocht. Zaadvocht en zaadcellen samen
vormen sperma.
De Punt van de penis met een dunne gladde huid die gevoelig is voor seksuele prikkels, heet de
eikel.
In de balzak (scrotum) liggen de twee teelballen. In de teelballen worden zaadcellen gemaakt.
Hormonen bevorderen de productie van zaadcellen.
4
, Voortplantingsstelsel vrouw
Onderdelen van dit stelsel zijn onder andere de baarmoeder, de eierstok en de vagina.
De baarmoeder is zo groot als een kleine vuist. De wand van de baarmoeder bestaat uit spieren
plus een slijmlaag. De baarmoeder is hol. De holte staat in verbinding met de vagina. In de
baarmoeder kan een bevruchte eicel uitgroeien tot een baby.
De twee eierstokken zijn ongeveer zo groot als een golfbal. In de eierstok worden eicellen
gemaakt. Bij meisjes vanaf ongeveer elf jaar wordt er elke maand een eicel rijp.
De vagina (schede) verbindt de baarmoeder met de buitenwereld.
Het botstelsel of beenderenstelsel.
Voorbeelden van botten zijn de ribben, de botten in de
wervelkolom en het dijbeen.
Ribben beschermen de longen en het hart.
De wervelkolom geeft stevigheid en beschermt het ruggenmerg.
Het dijbeen is een groot bot in het bovenbeen.
Het zenuwstelsel
De hersenen, de ruggenmerg en de zenuwen maken deel van het zenuwstelsel.
De hersenen maken deel uit van het centrale zenuwstelsel in de schedelholte.
Het ruggenmerg maakt deel uit van het centrale zenuwstelsel binnen de wervelkolom.
De zenuw is een Bundel uitlopers van zenuwcellen, omgeven door bindweefsel.
Het zintuigstelsel
Het zintuigstelsel zorgt ervoor dat we de buitenwereld kunnen waarnemen.
Gezichtszintuigen (ligging: ogen, prikkel: licht.)
Gehoorzintuigen (ligging: oren, prikkel: geluid.)
Reukzintuigen (ligging: neus, prikkel: geur.)
Smaakzintuigen (ligging: mond/tong, prikkel: zoet, zout, zuur, bitter en umami)
Het uitscheidingsstelsel.
Dit stelsel zorgt ervoor dat vieze of schadelijke stoffen uit het lichaam worden
verwijderd.
Tot het uitscheidingsstelsel behoren de nieren, de urineleider, de blaas en de
plasbuis.
Het hormoonstelsel.
Het hormoonstelsel bestaat uit hormoonklieren. Deze klieren
geven hormonen af aan het bloed. Je hebt hormonen die de
groei beïnvloeden, je hebt hormonen die invloed hebben op
de voortplanting en je hebt bijvoorbeeld hormomen die effect
hebben op de stofwisseling.
Plantenweefsels
Planten bestaan uit cellen.
Plantaardige cellen zijn hele kleine hokjes die omgeven zijn door een celwand.
Een groep cellen die veel op elkaar lijken en dezelfde functie hebben, noem je
een weefsel.
Groeiweefsel
Een plant kan langer worden door zijn stengel of wortel te
laten groeien. In de worteltoppen en knoppen van een plant
bevindt zich daarvoor groeiweefsel. Ook in okselknoppen aan
de stengel zit groeiweefsel. Groeiweefsel bestaat uit cellen
die zich vermenigvuldigen. Dit heet celdeling.
5
,Transportweefsel
In een vaatplant worden stoffen vervoerd (getransporteerd) door buisjes. A = Houtvaten, C = Bastvaten
Er zijn twee soorten buisjes: bastvaten en houtvaten. Bastvaten
vervoeren water en glucose vanaf de bladeren naar alle delen van de
plant. Bastvaten bestaan uit levende cellen die water en glucose aan
elkaar doorgeven.
Houtvaten vervoeren water en mineralen van de wortels naar de
stengel, bladeren en bloemen.
Bastvaten en houtvaten liggen meestal naast elkaar in vaatbundels. Om de vaatbundels heen
ligt steunweefsel voor de stevigheid.
Vulweefsel
Veel weefsel in een plant bestaat uit cellen die ongeveer dezelfde vorm hebben.
Dit weefsel wordt vulweefsel genoemd.
In het blad en aan het oppervlak van groene stengels bevat vulweefsel
veel bladgroen.
In het blad vind je twee typen vulweefsel: palissadeweefsel en sponsweefsel.
Opperhuid
De buitenkant van een plant is vaak bedekt met een laagje was. Dit beschermt
het blad tegen uitdroging. Daaronder ligt de opperhuid.
De opperhuid bestaat uit doorzichtige cellen die goed op elkaar aansluiten.
Opperhuidweefsel ligt zowel aan de onderkant als de bovenkant van een blad.
In de opperhuid liggen huidmondjes.
Door de huidmondjes kunnen gassen zoals zuurstof en
koolstofdioxide het blad in- en uitgaan. Het open- en dichtgaan de
huidmondjes wordt geregeld door twee sluitcellen. De sluitcellen
kunnen van vorm veranderen en bevatten bladgroen.
Wortelharen
In de wortel zijn sommige opperhuidcellen uitgegroeid
tot wortelharen.
Wortelharen nemen water en mineralen op uit de bodem.
Wortel vulcellen geven dit door aan de houtvaten.
Fotosynthese
Fotosynthese is een vorm van assimilatie (opbouwen), waarbij planten glucose maken met behulp van energie
uit het zonlicht. Dit gebeurt in de groene delen van de plant, vooral in de bladeren.
De bladeren nemen via de huidmondjes koolstofdioxide op uit de lucht.
De wortelharen nemen water (en mineralen) op, dat via de wortels en stengels naar de bladeren wordt
vervoerd. In de bladeren wordt van koolstofdioxide en water glucose gemaakt. Glucose is een soort suiker.
Glucose wordt in de cellen van de bladeren direct omgezet in zetmeel.
Zonlicht levert de energie die nodig is voor de fotosynthese.
Het zonlicht wordt opgevangen door het bladgroen in de bladeren. Bij de fotosynthese ontstaat ook zuurstof.
Zuurstof verlaat het blad weer door de huidmondjes.
De fotosynthese is een belangrijke voorwaarde voor het bestaan op aarde; zonder zuurstof is immers geen
leven mogelijk.
Fotosynthese - Huidmondjes
In de opperhuid van de bladeren liggen huidmondjes. Door de huidmondjes kan water
(vocht) verdampen. Ook gaat koolstofdioxide het blad in. Via de huidmondjes gaat zuurstof
het blad uit. Het open- en dichtgaan de huidmondjes wordt geregeld door twee sluitcellen.
De sluitcellen kunnen van vorm veranderen. Ze bevatten ook bladgroenkorrels.
Huidmondjes zitten bij landplanten aan de onderkant van het blad. Zo komen ze niet vol
water en stof. Bij waterplanten met bladeren op het water, zitten de huidmondjes aan de
bovenkant van het blad. Bijvoorbeeld bij een waterlelie. De huidmondjes zijn wel klein, om te
voorkomen dat ze vol water komen zitten.
6
,Fotosynthese - Onder water
1 Bladeren nemen water en koolstofdioxide op uit het water.
2 Fotosynthese vindt plaats in de bladgroenkorrels.
3 Bij fotosynthese ontstaan zuurstof en glucose. Zuurstof komt in
het water.
Voortgezette assimilatie - Koolhydraten en vetten
Uit de glucose die bij de fotosynthese ontstaat, worden andere stoffen gemaakt. Dat heet voortgezette
assimilatie.
Van glucose worden bij voortgezette assimilatie bijvoorbeeld meer ingewikkelde koolhydraten (suikers)
gemaakt, zoals zetmeel.
Ook kunnen er vetten uit glucose gemaakt worden. Een plant gebruikt koolhydraten en vetten om te groeien
en om te leven.
Voortgezette assimilatie – Eiwitten
Een plant kan van glucose door voortgezette assimilatie ook eiwitten maken. Daarvoor zijn mineralen nodig. De
mineralen worden met water door de wortels opgenomen. Een belangrijk mineraal voor het maken van
eiwitten is nitraat.
In kunstmest zit meestal veel nitraat. Planten kunnen uit nitraat en glucose eiwitten maken.
Ook andere mineralen, zoals sulfaat, zijn belangrijk voor het maken van eiwitten.
Dissimilatie
Het deel van de stofwisseling waarbij grote stoffen worden omgezet in kleinere stoffen, heet dissimilatie. Bij
dissimilatie komt energie beschikbaar.
Er zijn drie soorten dissimilatie.
- Verbranding (Dissimilatie met zuurstof.)
Het deel van de stofwisseling waarbij grote stoffen worden omgezet in kleinere stoffen,
heet dissimilatie. Bij dissimilatie komt energie beschikbaar. Verbranding is een vorm van dissimilatie.
- Melkzuurgisting (Dissimilatie zonder zuurstof, waarbij melkzuur
gevormd wordt.)
Als je melk te lang laat staan, groeien er bacteriën die de melk zuur maken. De bacteriën breken de
glucose in de melk af. Deze bacteriën kunnen leven zonder zuurstof. Deze manier van dissimileren
heet melkzuurgisting.
Dissimileren van glucose zonder zuurstof levert veel minder energie op dan met zuurstof.
Dat komt doordat melkzuur nog verder afgebroken kan worden. Er zit nog veel energie in melkzuur.
- Alcoholische gisting (Dissimilatie zonder zuurstof, waarbij
alcohol wordt gevormd.)
Gist is een eencellige schimmel. Gisten kunnen zonder zuurstof glucose dissimileren. Er ontstaat dan
alcohol (ethanol) en koolstofdioxide. Daarom heet deze reactie alcoholische gisting.
Dissimileren van glucose zonder zuurstof levert veel minder energie op dan met zuurstof. Dat komt
doordat alcohol nog verder afgebroken kan worden. Er zit nog veel energie in alcohol.
Wortels
Wortels hebben over het algemeen drie functies.
Kruidachtige planten hebben meestal wortels in de vorm van een hoofdwortel met
zijwortels of bijwortels. Sommige planten hebben een dikke hoofdwortel, dit heet
een penwortel. In de wortel zijn sommige opperhuidcellen uitgegroeid tot wortelharen.
Wortelharen nemen water en opgeloste voedingszouten (mineralen) op uit de bodem.
Vanuit de wortels stroomt het water naar de houtvaten in de stengel.
7
,Bouw van zaadplanten
Zaadplanten planten zich voort door middel van zaden. De zaadplanten zijn te verdelen in naaktzadige
planten en bedektzadige planten.
Opnemen van stoffen uit de bodem
en belangrijke taak van een wortel is water en opgeloste stoffen (mineralen) uit de grond halen.
De wortels van planten kunnen in droge gebieden heel lang zijn om het water te kunnen bereiken.
Ze kunnen zich naar de diepte uitspreiden of juist over een breed oppervlak.
De wortels die in contact staan met water hebben veel kleine haartjes, de wortelhaartjes. Daardoor
hebben ze een groot oppervlak en kunnen ze veel water en opgeloste stoffen opnemen.
Opslag
Een wortel kan een opslagplaats van voedsel zijn. In de bladeren wordt glucose gemaakt door fotosynthese. Dit
wordt via de bastvaten in de stengel vervoerd naar de wortels. In de wortel wordt het opgeslagen als zetmeel.
Stengels
Stengels dragen de bladeren en bloemen. Onder de grond gaat de stengel meestal
over in wortels. Bij sommige planten groeien de stengels ook onder de grond,
bijvoorbeeld bij de aardappel.
Bij planten zie je knopvorming van eindknoppen, zijknoppen/okselknoppen,
bladknoppen en bloemknoppen, die als ze uitlopen nieuwe scheuten en bloemen
geven.
Bladeren
De nerven zorgen voor aan- en afvoer van water en opgeloste stoffen.
In de nerven bevinden zich daarvoor kleine buisjes ofwel vaten.
Bladvorm
Bij handvormige bladeren vertakt de hoofdnerf zich aan het begin van het blad in een aantal hoofdnerven. Dit
lijkt een beetje op de vingers van een hand.
Veervormige bladeren lijken wel wat op een vogelveer: er is één hoofdnerf waarvan zijnerven naar de bladrand
gaan.
Bladrand
Bladeren kunnen er heel verschillend uitzien. Bekijk de afbeeldingen.
Bloemen
Bloemen dienen voor de voortplanting.
Veel bloemen hebben mooie kleuren om insecten aan te trekken.
8
,De bloem
Het kroonblad is meestal een gekleur blad dat bij veel bloemen dient om insecten aan te trekken
De stempel is het bovenste, vaak plakkerige deel van de stamper.
De helmknop is het bovenste gedeelte van de helmdraad waar
stuifmeel gevormd wordt.
De helmdraad is draad waar helmknoppen aan vast zitten.
De stijl is het deel van de stamper tussen het vruchtbeginsel
en de stempel.
Het vruchtbeginsel is het onderste deel van de stamper.
In de zaadknop bevindt zich de eicel.
De bloembodem is het stuk van de stengel waar het vruchtbeginsel
op staat.
Het kelkblad is meestal groen en beschermt het blad van de knop.
De bloemsteel is een stengel waar de bloem aan vast zit.
Stamper
Veel bloemen bestaan uit een mannelijk deel en een vrouwelijk deel. Het
vrouwelijke deel van de bloem is de stamper. De stamper bestaat
uit stempel, stijl en vruchtbeginsel.
In het vruchtbeginsel zitten zaadbeginsels. In de zaadbeginsels liggen eicellen
klaar voor de bevruchting. De eicellen zijn de vrouwelijke geslachtscellen van de bloem.
Het zaadbeginsel groeit na bevruchting uit tot een vrucht.
Meeldraad
De meeldraad is het mannelijke deel van een bloem.
De meeldraad bestaat uit een helmknop en een helmdraad. In helmhokjes worden
stuifmeelkorrels aangemaakt. Dit zijn de mannelijke voortplantingscellen van de bloem.
Determineren
Het bepalen van de soortnaam heet determineren.
Er zijn boeken voor het determineren van vogels of van planten.
Hoe kun je determineren?
Determineren doe je met een determinatiesleutel.
Een determinatiesleutel is een soort vragenformulier dat je naar de naam van de soort leidt.
Telkens wordt er gevraagd of een bepaald kenmerk wel of niet aanwezig is. Dit gaat net zo
lang door tot je uitkomt bij het organisme dat je zoekt.
Ordening van soorten
Het ordeningssysteem begint met de rijken.
De rijken zijn onderverdeeld in hoofdafdelingen.
Iedere hoofdafdeling is onderverdeeld in klassen.
Klassen zijn onderverdeeld in orden.
Een orde is onderverdeeld in families.
Een familie is onderverdeeld in geslachten.
En een geslacht is onderverdeeld in soorten.
Eenslachtig of tweeslachtig
Sommige bloemen hebben zowel stampers (met stuifmeelkorrels) als meeldraden (met eicellen).
Deze bloemen zijn zowel mannelijk als vrouwelijk. Ze zijn tweeslachtig.
Er zijn ook bloemen die alleen stampers hebben of alleen meeldraden.
Deze bloemen zijn éénslachtig.
Ongeslachtelijke bloemen
Er bestaan ook bloemen die geen meeldraden en ook geen stampers hebben. Bij deze bloemen spreek je
van ongeslachtelijke voortplanting.
9
, Eenhuizig of tweehuizig
Een plant kan eenhuizig of tweehuizig zijn.
Bij tweeslachtige bloemen bevinden de eicellen en stuifmeelkorrels zich in één bloem en dus ook op één plant.
Een plant met tweeslachtige bloemen is dus altijd eenhuizig.
De zwarte els heeft op dezelfde boom zowel manneklijke als vrouwelijke bloemen.
De zwarte els is dus eenhuizig met eenslachtige bloemen.
Een wilgenkatje is een eenslachtige bloem van de wilgenboom. Dit katje bevat alleen meeldraden en is
eenslachtig. Op een andere wilgenboom staan stamperkatjes.
De wilg is dus eenslachtig en tweehuizig.
Kruisbestuiving en zelfbestuiving
Bestuiving en bevruchting bij zaadplanten
Bouw van een bloem
Je hebt insectenbloemen en windbloemen.
- Insectenbloemen:
Veel hebben mooie kleuren, grote kroonbladeren, ruiken en hebben nectar om insecten aan te
trekken.
Het stuifmeel van deze insectenbloemen is ruw en kleverig. De kroonbladeren van de bloem zijn
felgekleurd en groot. De bloemen hebben nectar en ruiken vaak.
De stempel en de meeldraden bevinden zich in de bloem. Insecten nemen bij een bezoek aan een
bloem, stuifmeelkorrels mee naar een andere bloem van dezelfde soort. Dit noem
je insectenbestuiving.
- Windbloemen:
De wind kan ook zorgen voor het overbrengen van stuifmeel van de ene naar de andere bloem. Je
spreekt dan van windbestuiving. Dit zijn windbloemen.
Je herkent windbloemen aan groene en kleine kroonbladeren. De stempel en meeldraden hangen uit
de bloem. De meeldraden maken veel lichte stuifmeelkorrels aan.
Bevruchting
Als de bestuiving gelukt is, kan er bevruchting optreden.
Bestuiving
Als stuifmeel op de stempel van een stamper van dezelfde
soort terechtkomt, spreek je van bestuiving. Na bestuiving
kan eventueel bevruchting plaatsvinden.
Ontstaan van zaden en vruchten
Na de bevruchting ontstaan zaden en vruchten.
Door de bevruchting ontstaat er een bevruchte eicel ofwel een zygote. Dat wordt later de kiem van
het zaad. Uit de kiem groeit onder seizoensinvloed een nieuw plantje bij de kieming. Een zaadlob
of kiemlob/kiemblad kan gezien worden als het eerste blaadje van een kiemplant.
Rondom de zygote ontstaat de rest van het zaad, dat vooral uit voedselcellen
bestaat. Die voedselcellen moeten de zygote van voedsel voorzien als het gaat
kiemen
Als een zaad ontstaat, veranderen de cellen die om het zaadbeginsel liggen. Bij veel
planten ontstaat er dan uit het vruchtbeginsel een vrucht. Het zaad ligt in de
vrucht.
10