Hoofdstuk 6 Macht en leiding
6.1 Macht en invloed
Macht is het vermogen van persoon A om persoon B iets te laten doen, dat hij anders niet
zou hebben gedaan. Macht verschaft iemand de mogelijkheid om op anderen invloed uit te
oefenen.
6.2 Machtsmiddelen
Twee typen machtsmiddelen zijn: positie gebonden machtsmiddelen en persoonsgebonden
machtsmiddelen.
6.2.1. Positie gebonden machtsmiddelen
Aan een positie kunnen de volgende machtsmiddelen verbonden zijn:
1. Economische middelen. Deze middelen verschaffen een leidinggevende de bevoegdheid
om zijn ondergeschikten waardevolle economische opbrengsten te geven of te onthouden
(een beloning of bestraffen).
2. Informationele middelen. Deze middelen verschaffen leidinggevenden het vermogen om
hun medewerkers waardevolle informatie te geven of te onthouden. Informatie levert kennis
en macht. Selectief omgaan met informatie kan leiden tot manipulatie.
3. Legitimiteit. Van legitimiteit is sprake als de invloed van een leidinggevende als
vanzelfsprekend wordt aanvaard, omdat hij in de ogen van zijn ondergeschikte nu eenmaal
het recht heeft om over bepaalde zaken te beslissen. Met deze opvatting verschaffen
medewerkers een leidinggevende legitieme macht. Als macht eenmaal gelegitimeerd is =
‘de macht van de vanzelfsprekendheid’.
De hiërarchische gelaagdheid in organisaties schept machtsongelijkheid.
6.2.2. Persoonsgebonden machtsmiddelen
Persoonsgebonden machtsmiddelen zijn de middelen die mensen ontlenen aan hun
persoonlijke kwaliteiten. De volgende middelen kunnen door medewerkers en
leidinggevenden in organisaties worden ingezet:
1. Werk gerelateerde deskundigheid: deze bestaat uit kennis en vaardigheden die iemand
kan inbrengen, waardoor het werk goed kan worden uitgevoerd.
2. Relationele deskundigheid: dit is het vermogen van iemand om een goede sfeer te
scheppen en te handhaven. Medewerkers zullen een leidinggevende die ze aardig vinden en
waarderen, minder snel iets weigeren.
3. Samenwerkingsdeskundigheid: dit is het vermogen om het overleg met anderen goed te
laten verlopen.
4. Aantrekkelijkheid of charisma: dit is het vermogen om anderen te beïnvloeden op grond
van de aantrekkingskracht of het charisma dat iemand voor die ander heeft. Een sterke
aantrekkelijkheid = charisma.
6.3 Machtsgebruik
Vier vormen van machtsgebruik zijn:
• Coöperatief machtsgebruik. Hier worden mensen overgehaald om iets te doen, door met
hen te overleggen, dor het waarom, het nut of de noodzaak van een bepaalde maatregel of
actie aan te geven en door hen voor iets enthousiast te maken. Zowel informationele als
economische machtsmiddelen.
• Confronterend machtsgebruik. Mensen worden geprest om iets te doen, door te dreigen
met vervelende maatregelen, zoals een slechte beoordeling of minder kans op een bonus of
promotie. Bij confronterend machtsgebruik wordt bestraffingsmacht (economische middelen)
gehanteerd.
1
6.1 Macht en invloed
Macht is het vermogen van persoon A om persoon B iets te laten doen, dat hij anders niet
zou hebben gedaan. Macht verschaft iemand de mogelijkheid om op anderen invloed uit te
oefenen.
6.2 Machtsmiddelen
Twee typen machtsmiddelen zijn: positie gebonden machtsmiddelen en persoonsgebonden
machtsmiddelen.
6.2.1. Positie gebonden machtsmiddelen
Aan een positie kunnen de volgende machtsmiddelen verbonden zijn:
1. Economische middelen. Deze middelen verschaffen een leidinggevende de bevoegdheid
om zijn ondergeschikten waardevolle economische opbrengsten te geven of te onthouden
(een beloning of bestraffen).
2. Informationele middelen. Deze middelen verschaffen leidinggevenden het vermogen om
hun medewerkers waardevolle informatie te geven of te onthouden. Informatie levert kennis
en macht. Selectief omgaan met informatie kan leiden tot manipulatie.
3. Legitimiteit. Van legitimiteit is sprake als de invloed van een leidinggevende als
vanzelfsprekend wordt aanvaard, omdat hij in de ogen van zijn ondergeschikte nu eenmaal
het recht heeft om over bepaalde zaken te beslissen. Met deze opvatting verschaffen
medewerkers een leidinggevende legitieme macht. Als macht eenmaal gelegitimeerd is =
‘de macht van de vanzelfsprekendheid’.
De hiërarchische gelaagdheid in organisaties schept machtsongelijkheid.
6.2.2. Persoonsgebonden machtsmiddelen
Persoonsgebonden machtsmiddelen zijn de middelen die mensen ontlenen aan hun
persoonlijke kwaliteiten. De volgende middelen kunnen door medewerkers en
leidinggevenden in organisaties worden ingezet:
1. Werk gerelateerde deskundigheid: deze bestaat uit kennis en vaardigheden die iemand
kan inbrengen, waardoor het werk goed kan worden uitgevoerd.
2. Relationele deskundigheid: dit is het vermogen van iemand om een goede sfeer te
scheppen en te handhaven. Medewerkers zullen een leidinggevende die ze aardig vinden en
waarderen, minder snel iets weigeren.
3. Samenwerkingsdeskundigheid: dit is het vermogen om het overleg met anderen goed te
laten verlopen.
4. Aantrekkelijkheid of charisma: dit is het vermogen om anderen te beïnvloeden op grond
van de aantrekkingskracht of het charisma dat iemand voor die ander heeft. Een sterke
aantrekkelijkheid = charisma.
6.3 Machtsgebruik
Vier vormen van machtsgebruik zijn:
• Coöperatief machtsgebruik. Hier worden mensen overgehaald om iets te doen, door met
hen te overleggen, dor het waarom, het nut of de noodzaak van een bepaalde maatregel of
actie aan te geven en door hen voor iets enthousiast te maken. Zowel informationele als
economische machtsmiddelen.
• Confronterend machtsgebruik. Mensen worden geprest om iets te doen, door te dreigen
met vervelende maatregelen, zoals een slechte beoordeling of minder kans op een bonus of
promotie. Bij confronterend machtsgebruik wordt bestraffingsmacht (economische middelen)
gehanteerd.
1