Week 1 – Algemene inleiding (Hoofdstuk 1 en 2)
Leerdoelen:
De beginselen benoemen die aan het stelsel van het Nederlands belastingrecht ten grondslag
liggen
De hoofdlijnen van dit stelsel uitleggen
Het verschil in karakter tussen belastingen en andere betalingen aan de overheid uitleggen
De verschillen tussen aanslagbelastingen en aangiftebelastingen uitleggen
De mogelijkheid van het opleggen van een navorderingsaanslag benoemen
De verschillen tussen heffing en invordering van belastingen benoemen
Het stelsel van rechtsbescherming in het belastingrecht weergeven
De overeenkomsten en verschillen ten aanzien van het algemene stelsel van bezwaar en
beroep van de Algemene wet bestuursrecht uitleggen
De verschillende sancties die door de Inspecteur of Ontvanger kunnen worden opgelegd
indien de belastingplichtige niet voldoet aan zijn fiscale verplichtingen beschrijven
Waarom belastingheffing?
1. Budgettaire functie een schatkist die voor de overheid gevuld moet worden
2. Regulerende functie stimuleren of niet stimuleren van bepaald gedrag accijnzen
Overheidsinkomsten belastingen
Belastingen, art. 104 Gw
- Verplichte bijdragen
- Van burger aan overheid
- Zonder individueel aanwijsbare tegenprestatie
- Niet bij wijze van straf
Materiële wetgeving wie betaalt waarvoor?
- Wet inkomstenbelasting
- Wet Loonbelasting
Formele wetgeving hoe en wanneer betalen?
- Algemene wet inzake rijksbelastingen
- Invorderingswet 1990
- Algemene wet bestuursrecht
Legaliteitsbeginsel, art. 104 Gw Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet
Vertrouwensbeginsel gaat uit van het vertrouwen dat de belastingplichtige mag ontlenen aan
gedragingen van de overheid.
Gelijkheidsbeginsel gelijke behandeling van gelijke gevallen.
Beginselen in het belastingrecht
- Draagkrachtbeginsel de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten
- Profijtbeginsel alleen zij die profijt hebben van de voorziening betalen belasting
- Beginsel van bevoorrechte verkrijging bij schenk of erfbelasting