Hoofdstuk 3 Integriteit
De Code Corporate Governance stelt dat goed ondernemerschap, ‘waaronder inbegrepen
integer en transparant handelen door het bestuur’, één van de twee steunpilaren is waarop
goed ondernemingsbestuur rust (de tweede steunpilaar is goed toezicht op goed
ondernemerschap).
3.1 Integriteit en vertrouwen
Een groot aantal begrippen komt steeds weer terug in definities van integriteit: onkreukbaar,
rechtschapenheid, eerlijkheid, betrouwbaarheid, zuiverheid, onafhankelijkheid,
zorgvuldigheid, geloofwaardigheid.
Brien merkt op dat het begrip vertrouwen een proximus is van integriteit: een proximus is
een begrip dat in zijn betekenis nauw verwant is aan een ander begrip zonder een synoniem
te zijn.
Vertrouwen
Vertrouwen is de bereidheid van mensen in functionele afhankelijkheidsrelaties het risico
te ondergaan dat andere partijen hen zullen schaden, met de verwachting dat dit niet zo zal
zijn, zelfs als er gepercipieerde mogelijkheden en prikkels daartoe bestaan.
Vertrouwen is belangrijk in functionele afhankelijkheidsrelaties omdat mensen elkaar kunnen
schaden, doordat hun handelingen en keuzes consequenties kunnen hebben voor morele
rechten, wensen en belangen van anderen.
Het is voor de analyse belangrijk onderscheid te maken tussen twee niveaus van analyse:
vertrouwen in personen en vertrouwen in instituties.
Het institutionele of bovenpersoonlijke niveau wijst op het belang van organisaties en
regelingen die het ontstaan en voortbestaan van vertrouwen in relaties tussen mensen
vereenvoudigen. Institutioneel vertrouwen kan doorwerken in het vertrouwen op persoonlijk
niveau.
Functionele afhankelijkheidsrelaties
De principaal-agenttheorie: deze theorie biedt een model voor het bestuderen van ruilrelaties
tussen economische actoren. De principaal is de opdrachtgever, de agent de uitvoerder. VB:
de relaties tussen werkgever-werknemer, aandeelhouder-manager, consument-bedrijf,
patiënt-arts of cliënt-advocaat.
Een belangrijk kenmerk van de principaal-agenttheorie is de delegatie van
beslissingsbevoegdheden van de principaal aan de agent, die hierover verantwoording dient
af te leggen aan de principaal.
Het probleem dat de principaal-agenttheorie thematiseert is de bereidheid van de agent om
de belangen van de principaal te dienen.
Als de belangen van principaal en agent niet parallel lopen > een belangenconflict dat ertoe
kan leiden dat de agent anders handelt dan de principaal beoogt, dat de agent zijn eigen
belangen voorop stelt (moral hazard).
Dit conflict wordt scherp gezet door de informatieasymmetrie: de agent weet meer omtrent
zijn werkzaamheden en de consequenties daarvan voor de principaal dan de principaal zelf.
Ofwel; de principaal heeft nooit volledig inzicht in het doen en laten van de agent. Dit biedt
de agent de mogelijkheid misbruik te maken van de situatie.
De principaal-agenttheorie beschrijft de aard van deze problematiek, de kosten die dit met
zich meebrengt en mogelijke oplossingen.
1
De Code Corporate Governance stelt dat goed ondernemerschap, ‘waaronder inbegrepen
integer en transparant handelen door het bestuur’, één van de twee steunpilaren is waarop
goed ondernemingsbestuur rust (de tweede steunpilaar is goed toezicht op goed
ondernemerschap).
3.1 Integriteit en vertrouwen
Een groot aantal begrippen komt steeds weer terug in definities van integriteit: onkreukbaar,
rechtschapenheid, eerlijkheid, betrouwbaarheid, zuiverheid, onafhankelijkheid,
zorgvuldigheid, geloofwaardigheid.
Brien merkt op dat het begrip vertrouwen een proximus is van integriteit: een proximus is
een begrip dat in zijn betekenis nauw verwant is aan een ander begrip zonder een synoniem
te zijn.
Vertrouwen
Vertrouwen is de bereidheid van mensen in functionele afhankelijkheidsrelaties het risico
te ondergaan dat andere partijen hen zullen schaden, met de verwachting dat dit niet zo zal
zijn, zelfs als er gepercipieerde mogelijkheden en prikkels daartoe bestaan.
Vertrouwen is belangrijk in functionele afhankelijkheidsrelaties omdat mensen elkaar kunnen
schaden, doordat hun handelingen en keuzes consequenties kunnen hebben voor morele
rechten, wensen en belangen van anderen.
Het is voor de analyse belangrijk onderscheid te maken tussen twee niveaus van analyse:
vertrouwen in personen en vertrouwen in instituties.
Het institutionele of bovenpersoonlijke niveau wijst op het belang van organisaties en
regelingen die het ontstaan en voortbestaan van vertrouwen in relaties tussen mensen
vereenvoudigen. Institutioneel vertrouwen kan doorwerken in het vertrouwen op persoonlijk
niveau.
Functionele afhankelijkheidsrelaties
De principaal-agenttheorie: deze theorie biedt een model voor het bestuderen van ruilrelaties
tussen economische actoren. De principaal is de opdrachtgever, de agent de uitvoerder. VB:
de relaties tussen werkgever-werknemer, aandeelhouder-manager, consument-bedrijf,
patiënt-arts of cliënt-advocaat.
Een belangrijk kenmerk van de principaal-agenttheorie is de delegatie van
beslissingsbevoegdheden van de principaal aan de agent, die hierover verantwoording dient
af te leggen aan de principaal.
Het probleem dat de principaal-agenttheorie thematiseert is de bereidheid van de agent om
de belangen van de principaal te dienen.
Als de belangen van principaal en agent niet parallel lopen > een belangenconflict dat ertoe
kan leiden dat de agent anders handelt dan de principaal beoogt, dat de agent zijn eigen
belangen voorop stelt (moral hazard).
Dit conflict wordt scherp gezet door de informatieasymmetrie: de agent weet meer omtrent
zijn werkzaamheden en de consequenties daarvan voor de principaal dan de principaal zelf.
Ofwel; de principaal heeft nooit volledig inzicht in het doen en laten van de agent. Dit biedt
de agent de mogelijkheid misbruik te maken van de situatie.
De principaal-agenttheorie beschrijft de aard van deze problematiek, de kosten die dit met
zich meebrengt en mogelijke oplossingen.
1